Onderling gevecht (Dagblad van het Noorden)
Verschenen op 16 oktober 2026 in het Dagblad van het Noorden
MARTIN GROENEWOLD EN WOUTER BESSELS | FOTO’S MARCO KEYZER
Freek de Jonge (Westernieland, 1944) kijkt in Wisten wij veel terug op de jaren waarin Neerlands Hoop doorbrak en uiteenviel, Hella zijn leven binnenkwam en liefde, loyaliteit en talent steeds harder botsten. „Ik moest kiezen, maar dat was het einde van Neerlands Hoop geweest.”
September 1969. Freek de Jonge (25) en Bram Vermeulen (22) spelen met Neerlands Hoop in Bange Dagen 25 uitverkochte voorstellingen in het Shaffy Theater in Amsterdam. Ze zijn jong, brutaal en ongeremd. „Dichter bij de onbezorgdheid kom je niet”, schrijft De Jonge ruim een halve eeuw later.
Anderhalve maand na die septemberreeks ontmoet hij Hella Asser op de verloving van Bram en Titia Kiewiet de Jonge. Hella, een jonge vrouw in een groene bodystocking, heeft Freek eerder zien optreden en noemt hem een ‘komische ruziemaker’. Ze trekt hem de dansvloer op, later verdwijnen ze naar het souterrain. Vier dagen daarna staat Hella met twee tassen onderaan de trap van Freeks Amsterdamse onderkomen. „Ik kom bij je wonen.”
Vanaf dat moment lopen twee relaties door De Jonges leven die zich maar moeizaam met elkaar laten verenigen. Hella is de vrouw met wie hij zijn leven zal delen, Bram de man met wie hij het Nederlandse cabaret openbreekt.
Achteraf ziet De Jonge hoe vroeg de botsing zich al aandiende. „Als ik eerlijk was geweest en recht door zee, dan had ik eind ’69 tegen Bram gezegd: dit gaat niet.” Toch zou Neerlands Hoop nog bijna tien jaar bestaan.
DRIEHOEK
Die driehoek is een van de dragende lijnen van Wisten wij veel, het vierde deel van zijn memoires, over de jaren 1969 tot 1980. Het is de tijd waarin Neerlands Hoop doorbreekt en uiteenvalt, waarin De Jonge met Hella een gezin sticht, hun zoontje Jork overlijdt en hij uiteindelijk besluit zonder Bram verder te gaan.
Wisten wij veel is geen nostalgische terugblik. Integendeel: het boek haalt het beschermende laagje van de herinnering af. Op de suggestie dat hij daarmee de mythe rond die jaren ontmantelt, kiest De Jonge zelf het woord ‘demystificatie’.
„Dat is vaak pijnlijk. Maar goed, in dit stadium van de strijd kan dat wel. Ik schrijf niet vanuit woede of rancune, ik heb het ook niet geïroniseerd. Dit is hoe het in mijn hoofd zit.”
Bij het schrijven vertrouwt De Jonge niet alleen op zijn geheugen. Oude speellijsten brengen hem terug naar theaters en gebeurtenissen, Hella helpt hem herinneringen te toetsen en ook interviews, archiefmateriaal en de dagboeken van Bram Vermeulen dienen als bron. In de wetenschap dat zijn versie onvermijdelijk de laatste is: Vermeulen overleed in 2004.
Het motto komt van Johann Wolfgang von Goethe. De Jonge vertaalt het als: Een talent vormt zich in stilte. Een karakter in de warboel van de wereld. Het podiumtalent van De Jonge openbaart zich vroeg, het karakter moet zich dan nog vormen.
„Dit is de eerste periode waarin ik voor keuzes kom te staan waarvoor ik de verantwoordelijkheid moet nemen. Ik had nog niet echt geleefd.”
Wat bedoelt u met die vorming van talent en karakter?
„Voor mij begint dat verhaal eigenlijk al bij de roeping van mijn grootvader. Een jongetje van 14 op een Zeeuws eiland, zonder enig vooruitzicht, dat met zo’n hoogdravend verhaal bij zijn ouders en de dominee aankomt en daarin volhardt.
Daardoor is mijn vader uiteindelijk in Groningen terechtgekomen. Daar ontmoette hij de cultuurtheoloog Gerardus van der Leeuw. Mijn vader heeft zijn hele leven als predikant min of meer gehunkerd naar de ervaring die zijn vader werkelijk had gehad, maar die hij zelf nooit kreeg.”
„Het wonderlijke is dat mij wel iets van die orde is overkomen. Geen goddelijke roeping, maar een ervaring van mijn talent. Die was enorm en stond los van het repertoire dat ik bracht. Daar kwam voor mij een soort belofte uit voort: dat talent zal ik koesteren. Tegelijk kun je zeggen dat die toewijding aan het talent ook een vlucht was voor de problemen die er waren.”
SCHOOLAVOND
De ervaring waar hij op doelt, beleeft De Jonge in 1958, tijdens een schoolavond in Koog aan de Zaan. Hij is 13 en ontdekt dat hij een zaal aan het lachen kan krijgen.
Een halfjaar later ziet hij Toon Hermans op televisie en weet hij dat zijn toekomst in het theater ligt.
Het duurt nog jaren voordat dat talent een vorm vindt. In februari 1967 ontmoet hij bij het Amsterdams Studenten Corps Bram Vermeulen, met wie hij zich naar eigen zeggen meteen artistiek verbonden voelt. Samen met Johan Gertenbach maken ze dat jaar het lustrumcabaret Cabariolet.
Een jaar later treden De Jonge en Vermeulen als duo op tijdens Cameretten in Delft, onder de naam Neerlands Hoop in Bange Dagen. Ze worden er slechts vijfde, maar trekken wel de aandacht. In juni 1969 gaat hun eerste theaterprogramma in première in de Haarlemse Stadsschouwburg.
Wat maakte Bram bij u wakker?
„Bram had ten opzichte van mij vanaf het begin een dominante positie. Hij had gestudeerd, speelde volleybal op topniveau, was al een persoonlijkheid. Ik kwam eigenlijk vanuit het niets, met alleen een paar ervaringen waaruit bleek dat ik dit misschien op een bepaalde manier zou kunnen.”
„Toen hij dat boven had gehaald, was in wezen zijn rol uitgespeeld. Dat is het pijnlijke van de situatie. En dat ging heel snel. Ik heb geprobeerd het zo eerlijk mogelijk op te schrijven. Of gewetensvol, dat is misschien een beter woord.”
Wat De Jonge en Vermeulen samen maakten, week sterk af van het traditionele cabaret. Popmuziek, conferences, improvisatie en fysieke humor liepen door elkaar, vaak in een moordend tempo.
“Door avond aan avond voor publiek te spelen, begon het ook bij jezelf helder te worden wat je aan het doen was. Je kon dingen gaan timen, betekenis geven. Wat er in die voorstellingen gebeurde, was waanzinnig. Er gebeurde iets wat boven een normale theaterervaring uitsteeg. Die focus in zo’n zaal was fenomenaal. Het publiek zat helemaal in die voorstelling. Dat was moeilijk te weerstaan.”
Hella komt precies op het moment dat Neerlands Hoop doorbreekt. Wat deed dat met uw verhouding tot haar en Bram?
„Dat ging bij Hella heel ingewikkeld. Het was in wezen een mijnenveld. Bram was resoluut, dus die kapte in het begin al veel af.”
„Het ging al vrij vroeg uit tussen Hella en mij. Dat was voor mij simpelweg de makkelijkste keuze: zo kon ik Neerlands Hoop laten doorgaan. Waarom ik daarna weer met haar verder ging? Je kunt het liefde noemen, maar ook opportunisme. Dat laat ik in het midden. Het interessante is natuurlijk dat Hella en ik het uiteindelijk wél gered hebben.”
Hoe scherp de tegenstelling is, blijkt uit een voorval in 1970. De Jonge ligt uitgeput in bed; Hella gaat alleen naar een trouwfeest en vraagt Bram wat er met Freek aan de hand is. Vermeulen reageert volgens De Jonges reconstructie zo afwijzend dat voor Hella duidelijk is dat hij niets van haar aanwezigheid moet hebben.
Aan het einde van het boek komen Hella en Freek op die episode terug. De Jonge beseft dan hoezeer hij destijds klem zat tussen beide relaties. Vóór Hella kiezen betekende in zijn beleving kiezen tégen Bram. „We waren nog maar net begonnen. Dat kon ik niet aan. Spelen was mijn roeping. Moest ik dat opgeven?”
Vermeulen zelf erkende later in een interview dat hij en Hella elkaar niet lagen. Hij noemde haar een ‘vreemde eend in de bijt’, maar weersprak dat zij een doorslaggevende rol speelde in het uiteenvallen van Neerlands Hoop. Ook De Jonge verzet zich in zijn boek tegen die simpele lezing: Hella was geen Yoko Ono, schrijft hij.
U laat weinig heel van het idee dat u en Hella vanaf het begin een gelijkwaardige relatie hadden
„Dat was het ook niet. Ik was onhandig en ik had een heel traditioneel idee over de man-vrouwverhouding.”
„Ik ben in wezen met honderd procent vertrouwen opgevoed. Hella met nul. Ga er maar aan staan. Elkaar ontmoeten op een punt waarop het werkelijk vruchtbaar wordt, daar doe je gewoon tien jaar over.”
„Als je elkaar in die tijd een beetje kunt ontzien – en dat hebben wij gedaan, door hard te werken en door ons gezin – dan kan er iets ontstaan. Pas toen de kinderen de deur uit waren, begon tussen ons het gesprek. Wij reden samen naar theaters en konden op de heenweg praten en op de terugweg verdergaan. Dat was nooit geforceerd. Thuis had je het over je werk en op je werk over thuis. Alles liep door elkaar.”
JOODSE OUDERS
Het verschil in vertrouwen voert De Jonge terug op Hella’s jeugd. Haar Joodse ouders – moeder Eef en vader Eli Asser, destijds een bekende schrijver voor radio (Mimoza) en televisie (’t Schaep met de 5 Pooten) – hadden de oorlog overleefd, terwijl veel van hun familieleden waren vermoord. Thuis bleef de oorlog allesbepalend. Hella groeide op met sterke verlatingsangst en werd op haar 17de uit huis gezet. Gaandeweg zoekt zij nadrukkelijk haar eigen weg. Ze volgt opleidingen en werkt aan haar zelfstandigheid, mede vanuit de gedachte dat ze zichzelf moet kunnen onderhouden als de relatie met Freek geen standhoudt.
Juist in die eerste jaren, waarin praten tussen hen niet vanzelf gaat, krijgt lichamelijke intimiteit een belangrijke functie. De Jonge schrijft er in Wisten wij veel opvallend openhartig over. ‘Als nou iets onze relatie heeft gered, is het seks geweest. Maar om daarover in detail te treden is dan weer onfris.’
JORK OVERLIJDT
In januari 1974 wordt hun verhouding zwaar op de proef gesteld. Tijdens een verblijf op Texel overlijdt hun 3 maanden oude zoontje Jork. Ook rond zijn dood blijken Hella en Freek verschillend met onzekerheid en verdriet om te gaan. De Jonge wil geen obductie. Hij is bang dat zal blijken dat zij zelf iets verkeerd hebben gedaan en wil zijn zoon ‘heel laten’. Hella wil juist weten wat er is gebeurd.
In de dialoog die De Jonge in het boek reconstrueert, zegt zij achteraf: „Er kwam geen obductie, jij was de baas.” Jork wordt op Texel begraven; zijn ouders keren zonder hem terug naar Amsterdam. ‘We bespraken niets’, schrijft De Jonge.
Heeft het verlies van Jork jullie dichter bij elkaar gebracht?
„We zijn niet met zijn tweeën in een soort rouwsessie terechtgekomen waarin we erover móésten praten. Misschien was de boel dan wel geheid misgegaan.”
„We hebben het afgetast en laten komen. Eigenlijk precies onder dat motto: Wisten wij veel. Die hele situatie was ook absurd. Dat ik dacht: misschien kunnen we hiermee tegelijkertijd iets goedmaken, en daarom Bram en Titia bij de begrafenis vragen – ik vind dat achteraf ontroerend en ook legitiem. Maar het is natuurlijk óók pijnlijk.”
„Je hebt zelf iets te verwerken en de ander ook. Dan moet je elkaar ergens zien te ontmoeten. Dat lukt niet automatisch doordat je iets verschrikkelijks met elkaar meemaakt. Hella en ik hebben daar jaren over gedaan.”
Op het toneel was ondertussen niets van al die spanning zichtbaar. Hoe kan dat?
„Dat vind ik zelf misschien wel het wonderlijkste: wat ik op het toneel deed en wat ik voor het toneel maakte, stond kennelijk los van hoe mijn leven ervoor stond. Een instorting was helemaal niet zo gek geweest. Een nervous breakdown, een enorme ruzie met Bram – iets.”
„Maar we hadden eigenlijk nooit ruzie. Pas tegen het einde, in Engeland, begon dat te spelen. Daarvóór hadden we altijd lol. Alleen werd het op den duur wel een beetje ongezonde jongenslol.”
Ergens in het boek noemt u het een vriendschap.
„Ja, maar dat is het niet geworden. Tegen het einde kon ik Bram echt niet meer verdragen. En hij mij geloof ik ook niet.”
ERNST EN HUMOR
Ondertussen wordt Neerlands Hoop ook inhoudelijk steeds explicieter. De speelse anarchie van de eerste jaren krijgt een maatschappelijker lading; ernst en humor botsen op elkaar en het duo pretendeert, schrijft De Jonge terugkijkend, zelfs de wereld te willen verbeteren.
De scheefgroei wordt alsmaar moeilijker te negeren. Bram zoekt nadrukkelijker zijn eigen terrein in de muziek, Freek is op het toneel de centrale figuur. In recensies wordt Bram genadeloos neergesabeld. ‘De wedstrijd die we als team speelden, begon een onderling gevecht te worden’, schrijft De Jonge.
Tegelijk verdwijnt Just Enschedé uit beeld. Hij was niet alleen hun manager, maar jarenlang ook vriend, organisator en de derde man tussen Bram en Freek. Achteraf noemt De Jonge zijn vertrek een onderschatte factor.
„Als Just had gezegd: jongens, we gaan weer eens om de tafel zitten, willen we dit of willen we dit niet, dan had dat misschien iets kunnen betekenen. Just was een heel belangrijke factor in de zin van integriteit. Zijn smaak was van groot belang.”
DE KOMIEK
In september 1979 vertelt Freek aan Bram dat hij stopt. Vermeulen reageert verbijsterd: „In april staan we in Carré…” De volgende ochtend rijdt De Jonge met Hella naar het zuiden. Onderweg ontstaat in grote lijnen zijn eerste grote soloprogramma: De Komiek.
De laatste serie voorstellingen van Neerlands Hoop Code noemt De Jonge in zijn boek een verschrikking: ‘Het was als het bed moeten delen zonder liefde’. Hij reist apart en neemt een eigen kleedkamer.
De voorstelling blijft voor het publiek overeind, terwijl de samenwerking erachter al is bezweken. ‘De grote mislukking van de pure vriendschap speelde kennelijk geen rol. De mensen lieten zich verleiden en de verleiders lieten zich toejuichen. Beschamend?’
Hoeveel spijt zit er in uw boek?
„Niet veel. Ook weinig schuldgevoel. Ik heb, net als iedereen, op bepaalde momenten keuzes gemaakt. Die kun je betreuren, maar je kunt ze niet terugdraaien.”
„Je mag wel hopen dat je door je resoluutheid niet te veel mensen onnodig pijn hebt gedaan. Wij zijn met Neerlands Hoop af en toe behoorlijk losgegaan. Ikzelf ook, tegen mensen.”
„Het laatste deel van het boek is wel een verantwoording voor wat eraan voorafgaat. Zo hebben wij geleefd, zo hebben we het gedaan. Soms in onschuld, soms met heel veel raffinement.”
ROOKBOM
Vier maanden na de laatste voorstelling van Neerlands Hoop is het 30 april 1980. Freek de Jonge staat die avond voor het laatst in Carré met De Komiek. Overdag volgt hij thuis de inhuldiging van koningin Beatrix op televisie. Wat hij ziet, lijkt aanvankelijk vooral ceremonieel vertoon met hier en daar een rookbom en gejoel.
Pas wanneer zijn overbuurman terugkomt van zijn werk in het Binnengasthuis, hoort hij hoe ernstig de situatie in de stad werkelijk is. Gewonden zijn binnengebracht, agenten en krakers hebben elkaar rond de Blauwbrug bevochten, de confrontaties zijn gevaarlijk dicht bij de Dam gekomen.
De Jonge vraagt zich af wat hij daar die avond op het toneel mee moet. Voor hij naar Carré vertrekt, loopt hij zijn achter-tuin in, tilt het tuinhekje uit de scharnie-ren en legt het in de auto. 5 minuten voor aanvang scheurt hij in de kleedkamer de recensies van de spiegel, maakt er prop-pen van en gooit ze weg.Hella geeft hem een kus en gaat de zaal in. Het doek schuift open. De Jonge rent met het hekje de piste in, tilt het boven zijn hoofd en roept:
„Dit is het hek van de Dam.”
Carré barst los. Freeks solojaren zijn nu definitief aangebroken. In Wisten wij veel schrijft hij over dat ogenblik: „In wezen had ik niets dramatisch gezegd. Geen inzicht getoond. Geen partij gekozen. Ik had een grap gemaakt waar iedereen om kon lachen. Ik was de komiek.”
IN HET KORT
Frederik Jan Georg (Freek) de Jonge werd geboren op 30 augustus 1944 in Westernieland. Hij groeide op in Workum, Zaandam en Goes en woonde daarna in Amsterdam (1965-1978). Sinds 1978 woont hij met Hella de Jonge in Muiderberg. Na hbs-b studeerde hij culturele antropologie en Nederlands maar beide heeft hij niet afgemaakt.
De Jonge vormde samen met Bram Vermeulen cabaretduo Neerlands Hoop in Bange Dagen (1968-1979), speelde daarna talrijke soloprogramma’s waarvan De komiek (1980) het eerste was en De stemming 7 (2025) het meest recente. De Jonge speelde verscheidene oudejaars- en nieuwjaarsconferences, maakte films, scoorde een nummer 1-hit met Leven na de dood (1997) en schreef een aantal romans. In 2017 werd hij verkozen tot Groninger van het Jaar omdat hij actievoerde tegen de gas-winning in Groningen.
De Jonge trouwde in 1971 met Hella Asser, die voor zijn shows kostuums maakt en licht ontwerpt. Freek en Hella zijn de ouders van Roos (54) en Jelle (51). In 1974 overleed hun 3 maanden oude zoon Jork.