Mannenwereld
We waren geen jongens meer
maar om nou te zeggen dat we mannen waren
Het geld dat we in de vakantie als terrasober verdienden
verzopen en vergokten we ’s avonds in de kroeg
in een klein Zeeuws dorpje tussen de Scheldes De vuilbekken vol stoere praatjes
De toekomst lachte ons tegemoet en wij lachten terug
Tijdens bouwvakkersrellen in Amsterdam viel de eerste dode
We hadden allemaal onze beschamende ervaringen met de meisjes
Mislukkingen die we botvierden
op de grootste mislukkeling van ons allemaal:
Bertje
de zoon van de weduwe van bakker Fraanje
Bertje, zei ik, een vrouw is een brok deeg: je moet haar kneden
Maar in de buurt van meisjes verstijfden zijn vingers
in plaats van zijn mannelijkheid
Wij hebben als jongens
allemaal onze moeilijkheden met bh-sluitingen gehad maar Bertje wist er zijn handen
tot bloedens toe aan open te halen of raakte er zodanig in verstrikt
dat er een heggenschaar aan te pas moest komen om hem te bevrijden
Wij hadden allang in de gaten dat hij dat met die meisjes alleen maar deed voor ons
hij had niks met vrouwen
Nou ja behalve dan met zijn moeder die hem ’s nachts om vier uur
uit de kroeg kwam halen
omdat ie zijn broer moest helpen in de bakkerij
Ze gaf hem kordaat een arm
en licht slingerend verlieten ze het café nagejouwd door ons, hoogmoedige achterblijvers
Hazelnootzandje!
Kokosmakroon!
Krakeling!
Moorkop!
Roombroodje!
Vruchtenpunt!
Boterletter!
En we krijsten met een schorre stem uit de jukebox mee:
Dit is een mannenwereld maar wat zou die zijn zonder een vrouwenhart?
Toen de vrouw van de bakker
haar zoon weer eens was komen halen
vonden we dat Bertje ontgroend moest worden voordat het te laat was
En met te laat bedoelden we dat hij een flikker zou worden
Een bodemonderzoeker
Een gatlikker Een holbewoner
Bertje moest eens een flinke beurt van een professional hebben
vond Harry
net terug van acht maanden wilde vaart
en trotse bezitter van een splinternieuwe tweedehands MG waarvan Bertje met een wezenloze blik
de rode lak mocht strelen
Harry zou met Bertje naar de hoeren in Antwerpen gaan en Bertje mocht rijden
Vlak voor Goes
wilde hij een trekker met fruit inhalen
en botste hij frontaal op een vrachtwagen met diepvrieskippen
Harry lag met een dwarslaesie naast het wrak
Bertje was op slag dood
de autoradio zat ongedeerd verstopt in het verkreukelde blik
En voor hij door de sirene van de ambulance overstemd werd
krijste James Brown:
Dit is een mannenwereld maar wat zou die zijn zonder een vrouwenhart?
De midzomerdag kon niet heter We liepen achter de kist aan
in onze somberste winterkleren Koppen naar beneden
handen stijf langs het lijf
We probeerden ons groot te houden
en het heftige snikken van Bertjes moeder te negeren Sommigen van ons hadden
als je zoiets zelf had mogen beslissen ook best dood gewild
De dominee
die ons aankeek of we moordenaars waren las het verhaal van de goede herder voor die niet rustte
voor hij al zijn schaapjes op het droge had
En terwijl de kist met kleine schokjes in de kuil zakte schreeuwde de moeder over het zinderende vlakke land zo hard dat het over beide Scheldes schalde
en aan de overkant hoorbaar moet zijn geweest
jongen!
Er volgde een korte stilte en toen klonk de echo die niemand hoorde
behalve wij, zijn vrienden
We hoorden die krijsende mannenstem vanuit de bakkerij
vanuit de kroeg vanaf het water
uit de dansende rogge
uit een vlucht regenwulpen En opeens beseften we
dat we geen jongens meer waren maar mannen
Mannen
die niks te betekenen hadden
die helemaal nergens waren zonder een vrouw