Leven na de dood (en alle andere liedjes)

In 1969 maakte Freek de Jonge zijn debuut op de Nederlandse podia. Vijfendertig jaar later is hij nog altijd prominent aanwezig. Gedurende zijn legendarische theatercarrière schreef hij veel liedteksten. In Leven na de dood en alle andere liedjes zijn ze verzameld; vanaf de teksten die hij zong met Neerlands Hoop-collega Bram Vermeulen tot en met zijn hit “Leven na de dood” en zijn allerrecentste nummers. In totaal bijna 250 liedjes, die beurtelings geestig, treffend en ontroerend zijn, maar altijd recht voor z’n raap.

Paperback
Verschijningsdatum oktober 2004
Aantal pagina’s 400 pagina’s
Auteur(s) Freek de Jonge
Uitgever Muntinga pockets
EAN9789041705303
Gewicht 191 g


Een woord achteraf (bij de eerste druk)

Toen de uitgever mij vroeg zelf deze verzameling van een nawoord te voorzien was mijn eerste reactie er een van lichte aarzeling. Je ontkomt als auteur, als je geen vrijblij­vend stukje wilt schrijven, immers niet aan een verant­woording en die zal altijd neerkomen op mooipraterij, de mantel der liefde en nakaarten. Wat me wel trok aan het idee, zeker nu ik me voorgoed uit de showbusiness terugtrek, was iets te verklaren van mijn passie voor het lied en een licht anekdotische achtergrond te schetsen waarin een en ander ontstaan is.

Ik behoor tot de generatie die de pick-up de huiskamer heeft zien binnen dragen, waardoor je minder naar de ra­dio luisterde. Daarna de televisie, waardoor je de buren nooit meer zag. Vervolgens de videorecorder, waardoor je nooit meer tv keek en toen de cd-speler, die je hele col­lectie platen waardeloos maakte.

Sinds kort ben ik de trotse bezitter van een cd-video die alle andere apparaten overbodig maakt, waardoor ik eindelijk weer eens aan good old lezen toekom.

De eerste 45-toerenplaat die ik kocht was: Er zitten twee motten in mijn oude jas van de Vara-coryfee Dorus (Tom Manders). Dat soort liedjes wordt vandaag de dag niet meer op de plaat gezet. Mijn eerste Engelstalige plaat was Louis Armstrongs Basin’Street Blues.

Ook mag niet onvermeld blijven de met veel moeite op de eigenbouw kristalontvanger gevonden zender Ra­dio Luxemburg. Met op zondagavond om elf uur de Engelse top twintig. In Engeland was midden jaren vijftig de skiffle mu­ziek erg populair. Een door zijn eenvoud van akkoorden en instrumenten – gitaar, theekistbas en wasbord – voor iedereen speelbare muzieksoort, die zijn oorsprong vond bij de Amerikaanse folkmusic. Mijn eerste buitenlandse idool was Lonnie Donegan, die liedjes met begrijpelijke, komische teksten zong. (Does your chewing gum lose its flavor on the bedpost overnight, if your mother says don’t do it, do you swallow it in spite.)

Mijn broer Goof bezocht in die jaren (1955-1958) een aantal keren een Ncsv-kamp (Nederlandse Christelijke Studenten Vereniging) en kwam terug met ondeugende kampliedjes als Van der Lubbe (op de wijs van Stormy weather). Ik citeer na al die jaren uit het hoofd:

‘s Morgens vroeg
Zit Van der Lubbe in de kroeg
Bier te hijsen
Schuine liedjes uit te krijsen
Nu moet hij sterven gaan
Gaan

In de noen
Heeft Van der Lubbe niets te doen
Dan te spelen
Hoe kan iemand zo vervelen
Hoe kan iemand zo ver gaan
Gaan

‘s Avonds laat
Loopt Van der Lubbe langs de straat
Brandje stichtend
Dat zijn zo zijn dagelijkse plichten
Nu moet hij sterven gaan
Gaan

Druk op de knop
Plof daar rolt Van der Lubbe’s kop
Afgesneden
Nu is Van der Lubbe overleden
Nu is hij doodgegaan
Gaan

Pas een paar jaar later hoorde ik wie Van der Lubbe was en te laat begreep ik dat de tekst ideologisch niet hele­maal in orde was.

Veel onschuldiger waren de liedjes Johanna (het meis­je voor halve dagen) en Adam, kiek, kiek, Adam (Toen God de wereld had geschapen, eerst de hondjes en toen de apen, schiep hij de mens zo wijd en zijd befaamd en Adam werd de eerste mens genaamd).

Ik merkte bij het in het openbaar zingen van deze lied­jes, op schoolreisjes en klasse-avonden, dat erom gela­chen werd, een ervaring die zich diep nestelde in mijn geest. Al snel stond ik elke schoolavond op het podium en begon samen met Gert van der Breggen de eerste tek­sten te schrijven.

Mijn vader was een uitstekende amateur-dichter die er ieder jaar op Sinterklaasavond weer in slaagde de kin­deren te laten lachen en moeder te laten huilen, zoals het hoort. Een paar van zijn verzen zijn in de Groninger Stu­denten Almanak gepubliceerd.

Al deze zaken bij elkaar hebben de liedkunst bij mij doen wortelen. Alvorens u te vertellen hoe het lied verder door mijn loopbaan slingert, wil ik u mijn definitie van een liedje niet onthouden.

Een liedje bestaat uit bewust gerangschikte woorden, die zodanig op lichte muziek gezet kunnen worden, dat een vertolking ervan mogelijk is. (Door muziek gefrus­treerde poëzie.)

Een cabaretlied onderscheidt zich van het louter amu­serende lied door sociaal of politiek engagement en is veelal opzettelijk luchtig of bitter van toon. Hoewel de meeste hier gepubliceerde liedjes niet op de waan van de dag slaan, is het toch van belang te weten in welke periode ze geschreven zijn, al was het alleen al om glimlachend terug te zien op verteerde maatschappe­lijke obsessies als het damslapen, waarbij vermoeide hip­pies ons nationaal monument als rustplaats kozen, en van recenter datum de PPR, opgelost in Groen Links.

Kabouters waren uitgeslapen hippies die het tot de Amsterdamse gemeenteraad brachten en Molukkers werden treinkapers in Drente, om hun verlangen naar een Zuid-Molukse Republiek die hen ooit door de Ne­derlandse regering in het vooruitzicht was gesteld, kracht bij te zetten.

De wortels van mijn engagement liggen overduidelijk in de jaren zestig, bloeiperiode van het ongebreidelde. De popmuziek stuwde de subcultuur tijdelijk omlaag uit het obscure en bepaalde voor enige jaren het aanzien van de wereld. Zij trok daarin de folkmusic en de daaraan verwante protestsongs mee. Naast The Beatles, met name natuurlijk John Len­non, was het vooral Bob Dylan die me inspireerde. Woody Guthrie en ook Tom Lehrer, de beste van alle­maal en te slim om voor eeuwig in het vak te blijven han­gen, mogen niet ongenoemd blijven.

Het was vanzelfsprekend dat ik in Nederland aanslui­ting vond bij de cabarettraditie. Toon Hermans (lagere school), Jaap Fischer (middelbare school) en Drs. P. (stu­dententijd) werden mijn idolen.

Het ontstaan van de in deze bundel verzamelde liedjes valt grofweg in drie periodes uiteen, waarvan het bestaan van Neerlands Hoop in Bange Dagen het langste en het middelste tijdperk is, van 12-6-1968 tot 23-12-1979.

Van de eerste jaren, ik begon zo rond 1958 teksten te schrijven, heeft slechts een liedje deze bundeling ge­haald, zij het met de tenen krom van terugwerkende schaamte.

Onder de naam De Paradijsvogels (flower power!) na­men Johan Gertenbach, Bram Vermeulen, die de muziek schreef, en ik een single op met op de A-kant Het Paradijs (met naar mijn idee dezelfde hitpotentie als Het land van Maas en Waal van Boudewijn de Groot, wat nog in het arrangement is terug te horen) en op de B-kant Merck toch uw zerck.

In het arrangement ontbrak iedere blues­feeling en de aanvankelijke euforie van een plaatje te mo­gen maken sloeg al snel om in teleurstelling en verbitte­ring over het uitblijven van succes, door platenartiesten die geen hit scoren altijd bondig samengevat in de zin: ‘Ze hebben er ook niks aan gedaan.’

Het contract met platenmaatschappij Bovema was ontstaan doordat het Amsterdamsch Studenten Corps lustreerde. Dit feit diende te worden opgeluisterd met een speciaal lied dat aansloot bij het thema van het lus­trum, Adammania. Bram en ik schreven twee liedjes (on­der andere Adammania, gek op Amsterdam) die door Johnny Jordaan, de man die Bovema groot had gemaakt, op de plaat werden gezet.

John Möhring, de man achter Robert Longs latere succes, was onze contactpersoon. Tot op de dag van van­daag is mij niet duidelijk wat hij toch in ons zag. Onge­twijfeld zal hij nu zeggen dat hij toen al in ons vermoed­de wat er later uitgekomen is, maar ik betwijfel dat. Men liet ons volkomen zwemmen en wij begrepen nog niets van de showbusiness.

Johan Gertenbach haakte af toen het singletje flopte en Bram en ik stortten ons op advies van Möhring op het schrijven van liedjes, waarvan vele, geheel eigentijds, in het Engels (Your love is like a knuckleduster, Lieutenant O’Brennan).

We waagden zelfs de oversteek naar het Walhalla van de popsong in die dagen, Londen, om daar onder leiding van Paul Atkinson (ex The Zombies) een demo te maken in een van de vele studiootjes in Wardour Street.

Just Enschedé (we hadden al vroeg een manager; voorbeeld Brian Epstein!) is vooral op mijn aandringen nog met dat demootje gaan leuren bij Tony Vos, de toen­malige hitproducer bij Phonogram. Zijn afwijzing herin­nerde ons aan Decca, het label dat The Beatles geweigerd had en betekende geen enkele beschadiging van ons ge­loof in eigen kunnen.

Ook deden we een aantal jaren via ingewikkeld gedoe met schuilnamen mee aan het nationale songfestival. Als ik me goed herinner zonden we in het jaar 1968 zelfs vijf liedjes in, waaronder Ga naar je kanarie Arie, die geen van alle doordrongen tot de selectie, terwijl we nog zo ge­probeerd hadden de teksten niet te moeilijk te maken en de muziek makkelijk in het gehoor liggend.

Heel belangrijk voor het ontstaan van Neerlands Hoop en daarmee van vele liedjes, is het moment in 1968 geweest waarop Bram zijn eerste tweedehands Hohner­pianet kocht, waarmee we vanaf dat moment onafgebro­ken en gericht op de voorstelling repeteerden. Het in­strument was gefinancierd uit de inkomsten die we ont­vingen als tekstschrijvers voor de Joop Doderer-show, waar we op voorspraak van mijn vader, die de ouders van regisseur Dick van ‘t Sant (Dick Duster) onder zijn lid­maten had, bij gekomen waren.

De opnamen van de eerste show vonden plaats op de dag dat de Russen Praag binnenvielen om de naar die stad genoemde lente te veranderen in een Russische win­ter.

Joop Doderer wilde van zijn Swiebertje-imago af en zou voornamelijk in smoking gekleed een, zoals de Bel­gen zeggen, gesofistikeerde show presenteren met een buitenlandse gast, een ballet, een paar sketches en een conference.

We kregen te maken met een Engelse tekstschrijver die ons het vak zou leren. Deze bleek achteraf de grootste gapper uit de business te zijn. Elk idee dat we opperden werd door hem, nadat hij het genoteerd had, als niet goed terzijde geschoven. Thuis werkte hij die aantekeningen uit en verkocht de sketches aan een Australische komiek. Omgekeerd had hij de scènes die wij te vertalen kregen ook weer voor het grootste deel aan leerlingen uit de rest van de wereld ontfutseld. Eén ding moet ik achteraf toe­geven: ik heb er veel van geleerd, onder andere dat een goede tekst adapteren of vertalen geen schande is.

Zo heb ik een aantal liedjes vertaald voor Doderers programma. Van The Beatles Obladi Oblada (Op de skies loopt het spaak) en van The Scaffold Lilly the Pink (In de gist, de gist, de gist, heb ik me vergist, vergist, ver­gist. Joops Oudejaarsshow waarbij het oliebollendeeg uit de pan rees).

De show werd geen succes. Ik herinner me een gruizi­ge brainstorm in het Renkumse hotel Nol in het Bosch waar tv-chef Dick van Bommel persoonlijk het creatieve team een hart onder de riem kwam steken. Ons idee was een soort Van Oekel avant la lettre te creëren, waarbij on­ze voornaamste handicap was dat we op onze woorden moesten letten. ‘O jee’ kon niet bij de NCRV, omdat ‘jee’ volgens de censor naar Jezus verwees. Als je daar dan, niet voor een gat te vangen, ‘o hee’ van maakte, zei ie­mand dat ‘hee’ voor hemel stond.

We deden in 1968 letterlijk alles om in Het Vak aan de slag te komen. We spraken met René van Vboren over mogelijke tekstbijdragen aan de Mounties-show. We schreven en regisseerden het zogenaamde Groenentoneel bij het Studentencorps. We stonden bij Tom Hasebos (Kabouter Kandelaar) van de VPRO op de stoep met een idee om het jongerenprogramma Hoepla op te volgen. We regisseerden en schreven de schoolavond van de Breitner-MMS en we traden voor Amerikaanse toeristen op in het Lido-café met Engelse teksten.

Vaak waren we te vinden in het derdejaarszaaltje in het Lido, dat toen de Studentensociëteit van het Amster­damsch Studenten Corps was, omdat daar een piano stond.

Op een avond toen we, enigszins aangeschoten uit Wienerwald op het Leidseplein, waar we een sobere maaltijd genuttigd hadden, het zaaltje wilden betreden, vergaderde daar het botte dispuut Vivat, waarbij het mos gold dat de verstoorder van hun bijeenkomst van broek ontdaan met bier in het kruis gespoten moest worden.

Met de deurknop nog in de hand werd ik gretig door enkele eerstejaars, die dit nog niet eerder meegemaakt hadden, naar binnen gesleurd terwijl Bram in een klap nuchter met mijn lege schoenen in zijn handen stond.

De vechtpartij die later ontstond is legendarisch ge­worden. Bram sloeg met zijn elleboog tegen de verwar­ming waardoor zijn volleybal-trip naar Turkije twijfel­achtig werd.

We verhuisden met de AVSV, het damescorps, naar de Raamgracht waar een prachtige vleugel stond en waar niemand ons hinderde. Daar waren we ook aan het repeteren op de morgen van 12 juni 1968 voor ons eerste optreden onder de naam Neerlands Hoop, dat in het Microtheater zou plaatsvin­den op 28 juni, toen het bericht kwam dat mijn vader overleden was.

De victorie van Neerlands Hoop begon op Cameret­ten, een cabaretconcours dat georganiseerd was door Delftse studenten. Voor 1200 overenthousiaste jongelui brachten wij op vrijdag 8 november 1968 naast wat con­ferences, de liedjes Het land der Blinden en het succes­nummer van het eerste uur De vlinder en de bloem.

Overtuigd van onze winst togen we na afloop van een volleybalwedstrijd, die Bram op zaterdag in Dordrecht had moeten spelen, in onze beste pakken naar Delft om daar de hoofdprijs in ontvangst te nemen. Ik had mijn dankwoordje al klaar. Het liep anders. We werden vijfde.

Aan optredens hadden we vanaf dat moment echter geen gebrek. Bovendien besteedde het NTS-televisiepro­gramma Studentenhaver veel aandacht aan ons, zodat voor het eerst mensen op straat begonnen om te kijken als ze ons gepasseerd waren.

Mijn zelfverzekerdheid op het toneel was voorname­lijk gebaseerd op mijn ijzeren vertrouwen in Bram, een topsporter en Montessori-scholier, die geen twijfel leek te kennen. Na jaren bekende Bram mij dat zijn rust voortkwam uit zijn indruk dat het mij allemaal zo mak­kelijk leek af te gaan.

Wat mij opviel bij redactie van de liedjes was, behalve de hoeveelheid en de verscheidenheid van onderwerpen, toch vooral de ongelijkheid van kwaliteit. Het is niet wijs zelf een waardeoordeel over mijn werk te geven, maar dit geeft wel aan dat wij, net als ons publiek overigens, in een soort roes leefden waardoor dingen begrepen werden die in feite ondoorgrondelijk waren. Daar komt bij: als het brood vers is, kan men de bakker nog ruiken.

Als geldt: de goede ontvanger heeft aan een half woord genoeg, kun je ook stellen: de goede brenger maakt een half woord verstaanbaar. Je kunt je afvragen: maakt de ontvanger de brenger of omgekeerd? Voor mijzelf geldt het eerste.

Repeteren was voor Bram en mij het perfecte alibi om bij elkaar te zijn. Wij waren in die dagen vrijwel altijd sa­men om te knutselen aan tekst, muziek en voorstelling. Teksten schrijven en componeren deden we apart, maar we hielden wel via de telefoon voortdurend voeling met elkaar. Zonder Bram zouden vele teksten er anders heb­ben uitgezien, vaak noopte de muziek tot verandering, soms suggereerde hij een beter woord. De volgorde was op een of twee uitzonderingen na: eerst woorden, dan de akkoorden.

Het verhaal dat Bram me voortdurend uit bed moest halen om me aan het werk te zetten, lijkt een beetje op dat van Stan Laurel en Oliver Hardy, waarbij De Dikke liever ging golfen dan filmen. Het laatste schijnt niet he­lemaal waar te zijn, het eerste is helemaal niet waar. Wel is het zo dat Bram iets in mij wakker gemaakt heeft: zelf­werkzaamheid.

Het directe succes van ons eerste theaterprogramma {Neerlands Hoop in Bange Dagen, 1969) verlamde mij. Ik had vijftien jaar een droom gekoesterd die in feite binnen een jaar gerealiseerd werd. Is dit alles? vroeg ik mij pa­ranoïde af. Daarbij kwam de angst van iedere geslaagde debutant: zal me dat nog een keer lukken, vooral ingege­ven door de vraag: hoe heb ik hem dat die eerste keer ge­lapt? Want, en dat blijft na het voltooien van elke tekst weer het grote raadsel, waarom heb ik dit lied hier en nu geschreven? Meestal gebeurde dat niet ‘s morgens om elf uur op die ruime werkkamer achter dat prachtige oude, op het Waterlooplein gekochte bureau, dat bij een ver­huizing een val van de derde etage overleefd had en waar­op een smetteloos wit vel papier was klaargelegd onder een ouderwetse vulpen. Over het algemeen ontstond een tekst op onbestemde tijden op een servetje achter in de auto op weg naar een zaaltje. Ook week het eindresultaat vaak af van het voornemen. In het begin werd ik duide­lijk overweldigd door de mogelijkheden van de taal en speelde in het wilde weg met woorden. Later merkte ik dat ik ongeveer kon schrijven wat ik bedoelde.

Groot was mijn opluchting toen ons tweede program­ma, Neerlands Hoop in Panama (1971), net zo vanzelf­sprekend met gejuich werd ontvangen als het eerste. Toen Plankenkoorts, een speciaal programma voor het Holland Festival in 1972, unaniem de hemel in geprezen werd, was ik er voorgoed door en heb nooit meer getwij­feld of ik nog wel een volgend programma kon maken.

In die tijd heb ik geleerd dat een tekst nooit af is, een verandering meestal een verbetering is en dat weggooien vaak de beste verandering is.

De tijdgeest kwam al even ter sprake. Het is prachtig te zien hoe Neerlands Hoop in de ban was van popmu­ziek, politiek engagement en modetrends.

Op de rails van dat sentiment is in 1973 de Neerlands Hoop Express gaan rijden. Ook valt de plaat Hoezo Jeugd­sentiment? binnen het kader van zo-graag-een-popgroep­-willen-zijn.

Qua organisatie waren we autonoom en stonden bui­ten iedere gevestigde orde. Just Enschedé hield ons kort en spreidde de vele optredens weloverwogen over het ge­hele land. Hij was in het begin ook de chauffeur omdat Bram en ik geen rijbewijs hadden, wat ons in de gelegen­heid stelde onderweg te repeteren en te creëren.

Ik kan me niet herinneren dat Just, hoewel hij zeer kritisch was en beter dan Bram en ik wist waar Neerlands Hoop voor stond, zich ooit inhoudelijk met de voorstel­ling bemoeid heeft. Toch was het eigenlijk logisch dat toen Just er begin 1979 mee ophield, Neerlands Hoop ter ziele zou gaan, waarmee ik niet wil suggereren dat het uiteenvallen van Neerlands Hoop geen andere redenen kent.

De Neerlands Hoop Express was de triomf van Bram met een eigen band op het toneel. Neerlands Hoop Interi­eur (1976) was mijn pièce de résistance, we speelden het tot verveling van Bram meer dan vierhonderd keer, deels om het verlies van de musical Een kannibaal als jij en ik op te vangen.

Deze musical, die een nadere uitwerking was van De dag dat de onschuld doodging, een muzikaal spektakel dat we in 1969 voor de lustrerende Leidse studentes hadden geschreven, was de vervulling van weer zo’n jeugddroom. Na het succes van Hair en Tommy konden wij als mu­ziektheatermakers niet achterblijven.

Gitarist Jan de Hont reed al mee met de Express als bassist, kwam er tijdens Interieur weer bij en gedrieën na­men we de plaat Ik ben volmaakt gelukkig (1978) op vol­gens het van The Band afgekeken stramien. Ergens op het platteland (in dit geval Haaren N-B) een studio in­richten en daar in afzondering opnemen.

Neerlands Hoop Code (1978) gaf mij het gevoel dat al­les mogelijk was en dat werkte, hoe gek het ook mag klinken, verlammend, omdat het er blijkbaar niet meer toe deed wat je zei. De goede verstaander had zelfs dat halve woord niet meer nodig.

Een korte serie optredens in Londen (juni 1979) bracht ondanks Obvious Ambitions geen soelaas. Bram voelde de behoefte groeien zelf teksten te gaan schrijven en ik zag mij niet tot mijn tachtigste de angry young man uithangen. Ik was, daar had Just gelijk in, te oud voor de punk.

Het verging Bram en mij uiteindelijk zoals het een goede tekst en zijn performer vergaat. Eerst de herken­ning van de kwaliteit, dan de erkenning van de potentie, de openbaring van de waardering door het publiek, het gulzig naar binnenslokken van het succes, de verzadiging en tot slot de afkeer.

Veruit de meeste liedjes in dit boek komen uit die on­vergefelijke jaren waarin alles kon. Veel liedjes kan ik na twee keer overlezen weer uit volle borst zingen.

De Neerlands Hoop-liedjes zijn opvallend weinig ge­coverd. Bij mijn weten slechts door Liesbeth List (Vogel­vrij) en door Vivi Bach in het Duits (Elsje).

Over de laatste periode (1980-1990) kan ik wat korter zijn omdat deze verser in het geheugen ligt en bovendien niet zoals de beginjaren van Neerlands Hoop in het ver­borgene is gebleven.

De presentatie van het programma Denkbeeld voor de Nos-televisie (eind 1979) had in die zin mijn ogen ge­opend dat de gesprekspartners waar ik het ideologisch mee eens was, in de meeste gevallen niet direct uit de bus kwamen als ruimdenkende mensen, maar eerder als be­nauwde, in hun overtuiging verstrikte gelijkhebbers.

De anderen, die ik op grond van hun passie voor as­trologie of Oosterse religie zou moeten verketteren als zwevers of obscurantisten, kwamen vaak op mij over als ontvankelijke mensen die over het algemeen een vrolijke kijk op het leven hadden. Bovendien rookten en dron­ken ze een stuk minder dan de gemiddelde gelijkhebber.

Ik kwam tot het inzicht dat als de wereld ooit vol­maakt geweest was deze door bijna iedere inspanning van de mens die op vooruitgang gericht was verder ach­teruit kachelde en als je zelf niet gelukkig was, kon je een ander nooit gelukkig maken. Kortom het reactionaire groene standpunt.

Misschien stond die deur al lang open, maar niemand verlaat het huis zolang het je herbergt.

Als de goede verstaander aan een half woord genoeg begint te krijgen, moet de spreker niet alleen op zijn woorden gaan letten. Ik was de Grote Herkenning van het publiek gaan zien als Mijn Grote Gelijk. Bij de Ar­gentinië-Actie (een poging het Nederlands Elftal van deelname aan de WK aldaar af te houden in verband met de beestachtige junta, vastgelegd op Bloed aan de Paal, 1978) had ik al ervaren dat zelfs aan een rechtvaardige strijd bizarre negatieve kanten kleven die het vertrouwen in de politiek en het wereldverbeteren niet doen toene­men.

Die actie heeft mij niet verbitterd, maar wel het idee gegeven dat mensen met vrijheid nauwelijks raad weten en dus vaak hunkeren naar een, zo luxe mogelijke, gevan­genis. Dat gold in elk geval voor mezelf: na de bevrijding van de Neerlands Hoop-doctrine bouwde ik aan het funda­ment van de solo-gevangenis.

De sterke behoefte me af te zetten tegen het Neerlands Hoop-verleden mondde uit in De Komiek (1980), een programma dat in grote lijnen ontstond toen ik, nadat in september de beslissing was genomen niet langer met Bram samen te werken, een paar dagen met mijn vrouw Hella door Frankrijk reed. Schuchter groeide een artis­tieke wisselwerking.

Orlow Seunke, die ik bij de verfilming van Code had leren kennen, was me behulpzaam als ik twijfelde en speelde de rol van mijn doofstomme broertje Sanne.

Van het patroon eerst de liedjes dan de verhalen, week ik tijdens de totstandkoming van De Komiek niet af. Omdat liedjes maken ook veredeld puzzelen is, is het bij uitstek een geschikte methode om de concentratie opti­maal te maken.

Wat mij bij het vervaardigen van het eenvoudigste boekenkastje ontbreekt, het opbrengen van geduld, dus het vinden van rust, waarop de concentratie volgt, gaat bij het maken van een liedje moeiteloos. Het werkt als een mantra bij de meditatie. Een liedje begint vaak met een eerste regel, een inval of een pointe. Je kiest een rijm­schema, een metrum, en het ene woord lokt het andere uit.

Aan de eigenzinnige jazz-pianist Leo Cuypers vroeg ik of hij een melodie kon leveren die ik zelf zou kunnen be­geleiden, dat werd het openingslied van De Komiek.

De Vlaming Wannes van de Velde, die ik kende van zijn ontroerende muziek voor Mystero Buffo, maakte twee melodieën en Clous van Mechelen tekende voor de meezinger De Koe. Ik wilde zo weinig mogelijk bij een ta­pe zingen en daarom huurde ik een draaiorgeltje dat Tom Meyer van boeken voorzag.

In De Tragiek (1981) zette ik mijn eerste schuchtere stap naar een muzikale ondersteuning van het programma op tape, als een soundtrack bij een film.

Bij De Mars (1982), het eerste programma waarin ik niet zong, begon de samenwerking met Willem Breuker, met wie ik vele inspirerende uren in de studio heb door­gebracht. Terwijl hij zich met een keur van muzikanten door de partijen heen blies, bedacht ik wat ik met die klanken op het toneel zou kunnen doen.

Onze samenwerking liep via zijn superieure sound­track voor De Illusionist (een film met Jos Stelling, 1983) naar zijn hoogtepunt in Stroman & Trawanten, al heeft het er nog even om gehangen of het allemaal wel door zou gaan. Na een try-out in Alkmaar zag ik het helemaal niet meer zitten, maar Willem drukte door, we besloten tot een paar forse ingrepen en ziedaar, het lukte.

Voor De Bedevaart (1985) arrangeerde en componeer­de Breuker weer de muziekband en schreef Henny Vrienten de muziek voor De Pelgrim en voor wat mijn lijflied zou worden, De wals van het als. Het was mijn be­doeling na De Bedevaart een paar jaar te stoppen en me toe te gaan leggen op louter schrijven. Maar het liep een beetje anders.

Bij het verschijnen van de bundel Het damestasje (1986) leek het de uitgever en mij wel een goed idee een paar voorleesavonden te geven om zo het boek wat onder de aandacht te brengen. Omdat ik nogal snel uit mijn hoofd leer, werd het toch weer een voorstelling, waarbij ik tot groot genoegen van mijzelf, en gelukkig ook van het publiek, enkele liedjes uit de Neerlands Hoop-tijd vertolkte.

De Pretentie (1987) ontstond uit een misverstand over de boeking met de Stadsschouwburg te Amsterdam. Theaters plannen ver vooruit, ikzelf wil het graag kort houden. Zij boekten mij voor december 1987 terwijl ik 1986 bedoelde. Na veel geschuif vonden we voldoende data in december 1986 om Het damestasje te kunnen spe­len, zodat mevrouw Habbema niet in de agenda hoefde te gummen. Dat werd De Pretentie. Hierin kwam het lied Kijk dat is Kees uit Panama terug en zong ik Loom, mezelf begeleidend op een bassnaar die aan de deksel van een kist gemonteerd was en elektrisch doorversterkt werd. Het programma eindigde met Een dagje ouder, dat ik voor Toon Hermans geschreven had. Toon vond het mooi, maar zag zich niet iets van een ander zingen.

De Goeroe & de dissident (1988) bevatte een liedje, Tien Levens, dat elke avond samen met de zaal gemaakt werd. Op den duur werden de uit de zaal geroepen sug­gesties voorspelbaar en liep de improvisatie, zoals vaak in het theater, vast.

Mijn besluit om voorlopig alleen maar te schrijven en niet meer te spelen stond vast, toen de directie van Carré mij een serie in combinatie met Toon Hermans voorstel­de. Wat samen met Neil Innes, die ik kende van zijn song How sweet to be an idiot, dat ik voor De Mythe be­werkte, de show Mistery Guests had moeten worden, werd, wederom door een serie misverstanden en niet na­gekomen afspraken: De Volgende (1989).

Geïnspireerd door Gavin Friday’s plaat Each man kills the things he loves bewerkte ik Brels Au suivanten Dylans Death is not the end.

Gedurende de afgelopen tien jaar heb ik minder liedjes geschreven dan in de Neerlands Hoop-tijd. Dat is voor­namelijk te wijten aan het probleem van de begeleiding op het toneel. Een tape is een aanfluiting en ik heb er ook een hekel aan een stel muzikanten meer dan de halve avond voor joker op het toneel te laten zitten. Aan op- en aflopen van begeleiders heb ik helemaal een broertje dood.

Verzoeken van collegae om voor hen een liedje te schrijven heb ik nooit kunnen honoreren. De kuil schreef ik op verzoek van Wim Noordhoek voor zijn ra­dioprogramma Het Bericht en mijn laatste lied, Als jij er niet meer bent, maakte ik speciaal voor deze bundel.

Op de vraag of enkele van deze liedjes onder de noe­mer poëzie vallen, kan ik zelf het antwoord niet geven. Een gedicht is mijns inziens introverter dan een liedje. Omdat de betekenis van een gedicht niet na een keer le­zen of horen doorgrond hoeft te worden, wat bij een liedje bijna een voorwaarde is, kan de dichter dieper gaan. Poëzie is ook wat dogmatischer dan de liedkunst. In oud-Hollandse termen zou je kunnen zeggen: poëzie hoort bij de preciezen, liedjes bij de rekkelijken.

Mijn plaats is bij de laatsten: ik verloochen mijzelf, overtreed regels die even tevoren dogma’s leken, spot met rijm en metrum, deins er niet voor terug clichés te ont­rafelen en te creëren (De tijd doden komt wel een keer of zes voor) en ik schuw het effect niet.

Over de rol van Hella heb ik in dit nawoord nog niet veel gerept. Zij heeft vanaf De Komiek een steeds promi­nentere rol gespeeld bij het maken van de theaterpro­dukties en films. Ze wist door haar oprechte kritiek mijn teksten zuiver te houden en met haar smaak en artistici­teit het aanzien van de voorstelling te vervolmaken.

Alle liefdesliedjes in dit boek zijn voor haar geschre­ven en gelden tot op de dag van vandaag.

Aan haar draag ik dit boek op.

F. de J . Muiderberg, februari 1990


Nawoord bij de tweede, herziene druk

Zingen is voor mij een natuurlijke behoefte gebleken. Uit mijn voorgaande nawoord kon de lezer opmaken dat ik het lied als expressiemiddel was gaan verwaarlozen. Na vele jaren van monologen, conferences en verhalen ging ik opeens als vanzelf weer liedjes schrijven.

Na de a capella uitbarsting met Het houthakkersliedin Losse Nummers groeide het verlangen weer eens met mu­zikanten samen te werken. Dat werd Robert Jan Stips, die ik al eind jaren zestig op een popfestival in Leiden was tegengekomen waar hij triomfen vierde als zestienja­rige toetsenist van de avantgardistische groep Supersister. Na een ontmoeting tijdens een avond ten behoeve van Radio Freedom ontstond het idee om samen te werken, maar dat was door tijdgebrek mislukt.

De Nits, waarvan Stips deel was gaan uitmaken, be­hoorden al jaren tot mijn favorieten. Ze wisten in hun songs op een originele manier aan het cliché te ontsnap­pen zonder in parodie te vervallen. Dus was het niet zo gek dat ik bij Robert Jan en Henk Hofstede terechtkwam als componisten voor mijn nieuwe werk.

De concerten die we gaven als Frits, zoals het samen­werkingsverband gedoopt was, onder de naam Het Ge­heugen (later Dankzij de dijken) werden voor spelers en publiek een onvergetelijke ervaring in Nederland en Bel­gië en de cd werd een hit. De vier oorspronkelijk geplan­de concerten in het Nieuwe de la Mar Theater werden uitgebreid met voorstellingen in Carré, de Elisabethzaal in Antwerpen en de Vooruit te Gent. Het materiaal be­stond uit enkele Neerlands-Hoopklassiekers (o.a. Quo Vadis), vertaalde eeuwiggroenen (o.a. Runaway) en nieuw werk als De stem van vader. Het idee voor dit lied ontstond na een radiogesprek met Wi m Noordhoek en Arend Jan Heerma van Voss over geluiden uit de jeugd. Hierin kwam ik tot de conclusie dat wat mij fascineerde niet zozeer was wat mijn vader zei, maar de melodie van zijn stem.

Voor Doodsangst ben ik schatplichtig aan Mies Bouw­man die mij naar aanleiding van mijn denigrerende op­merkingen over een liefdadigheidsprogramma op de te­levisie erop wees dat, naarmate je ouder wordt je het ge­voel alles al eens meegemaakt te hebben, niet te veel je oordeel moet laten kleuren. Ze had gelijk.

Sarawak berust op historische feiten. Ik was voorjaar 1993 onder andere in Maleisië om voor landgenoten op te treden en van het een kwam het ander.

Dankzij de dijken is een vrije vertaling van In the Dutch Mountains, de internationale hit van de Nits.

Het muzikale plezier van de Frits-concerten smaakte naar meer en dus toen Hanneke Rüdelsheim van het Nieuwe de la Mar Theater me vroeg hun theaterseizoen 96-97 met een speciale voorstelling te openen, wilde ik meteen weer iets met muziek. Deze keer een wat intie­mer concert, met meer nadruk op het cabareteske in plaats van nog eens op 52-jarige leeftijd de oude rocker uit te hangen. Dit werd Langzame Liedjes. Doodgewoon zijn woorden op de Gnossienne no. 1 van Eric Satie. Vanzelfsprekender konden woorden niet ko­men.

Voor Lee Towers heb ik een speciale versie van Het Wilhelmus geschreven die hem mijns inziens beter bekt. Ik zag hem in Ahoy staande naast bokser Regilio Tuur in de ring met het origineel worstelen en dacht: deze zwaar­gewicht verdient beter.

Nooit weer bad ik voor Liesbeth List geschreven die er uiteindelijk geen raad mee wist. Later kwam ze zelf met het idee voor Oude Foto’s dat op haar cd Noach terecht­kwam, zij het met een merkwaardige verandering in een van de bezittelijke voornaamwoorden.

Met Langzame Liedjes, Je kunt niet zingen over goden Stel heb ik naar een andere liedvorm gezocht, een soort conference op muziek. Mede dankzij het improvisatie­talent van Robert Jan slaagde dat experiment. Alhoewel naar mijn zin de woorden nog weer iets te veel vastliggen.

Nu het nog kan is het voor velen herkenbare verlangen om in het reine te komen met zijn oorsprong. Verant­woording afleggen, liefde verklaren en vragen stellen. Dat is mijn leven, zou ik willen zeggen. O f liever: zingen.

F. de J . Muiderberg, december 1996


Nawoord bij de derde druk

Door tijdgebrek – op dit moment zit ik midden in De Vergrijzing — is het mij onmogelijk een uitgebreid na­woord bij deze herziene druk te schrijven. Dat is jammer want er is veel te vertellen. Over de rap-musical HetAk­koord bijvoorbeeld. In aflevering acht van het televisie­feuilleton De Grens ging het over de perikelen tussen jon­gelui met een Noord-Afrikaanse achtergrond en Suri­naamse jongeren op het Mercatorplein {Humphrey Sui­kerbosje, Zoek de zondebok).

Over de fantastische samenwerking met het Metro­pole Orkest bijvoorbeeld. Dankzij de inzet van Dick Bakker en zijn mensen kwam Parlando tevoorschijn met onder andere memorabele versies van A Salty Dog (En ik was dood) en De vondeling van Ameland.

Dat laatste lied was het gevolg van een verrassende sa­menwerking met Boudewijn de Groot. Op zijn verzoek schreef ik een aantal liedjes waarvan hij er drie voor zijn cd Eiland in de verte gebruikte {Zwembadpas, De vonde­ling van Ameland en Eeuwige jeugd).

Voor Het Parool schreef ik rond de millenniumwissel Wees niet bang, dat door Henk Hofstede voor een speciale cd voor dubbelgehandicapte kinderen van muziek werd voorzien. In januari 2000 trad ik drie keer in Berlijn op en declameerde ik Wees niet bang in het Duits in de ver­taling van Thomas Woitkewitsch.

Tijdens de Uitmarkt 2002 zong ik samen met Thomas Acda en Paul de Munnik, die daarvoor de muziek ge­maakt hadden, Dorpsgekken worden schaarser. Onverge­telijk was ook, vooral dankzij de muzikanten, de tournee De Kneep. De zandweg kreeg een nieuwe tekst en van Mano Chao bewerkte ik Clandestino tot Stiekem.

De meeste nieuwe liedjes zijn geschreven voor De Ver­grijzing. Sommige zijn nog niet eens van een melodie voorzien. Behalve Robert Jan Stips, die het leeuwendeel van de composities voor zijn rekening neemt, zal er hope­lijk nog gecomponeerd worden door Henk Hofstede, Cok van Vuuren en Daniël Lohues. Ik verheug me nu al op Frits 2, als we al die nieuwe liedjes met elkaar (Freek, Nits, Daniël en Cok) in de Theater Fabriek gaan bren­gen.

Enfin. Na afloop van elke voorstelling van De Vergrij­zing heb ik, begeleid door Robert Jan, een Neerlands Hoop-liedje gezongen. Dit om Bram in herinnering te houden die op 4 september plotseling overleed. Tijdens die uitvoeringen bleek eens te meer de kracht van de lied­jes. Cok van Vuuren, die Neerlands Hoop door zijn leef­tijd gemist heeft, vond de muziek ‘ongeëvenaard’ in het Nederlandstalige repertoire.

Daarom lijkt het me logisch dat deze druk een ‘In me­moriam Bram’ meekrijgt.

F. de J . Muiderberg, oktober 2004