Kellendonk-lezing

Freek de Jonge’s Kellendonk-lezing heeft plaats op 16 februari 2009 in Concertgebouw De Vereeniging in Nijmegen en is getiteld Komt u volgend jaar maar terug. Uit de flaptekst van de uitgave van de Radboud Universiteit blijkt waarom men Freek de Jonge heeft gevraagd:

Bij zoveel aandacht voor zijn theaterwerk vergeet men vaak dat De Jonge eind jaren tachtig, begin jaren negentig, ook als romancier actief is geweest: ‘Zaansch Veem’, ‘Neerlands Bloed’, ‘Opa’s Wijsvinger’. Over deze romans is gezegd dat de thematiek verwantschap vertoont met die van auteurs als Oek de Jong, Andreas Burnier, Gerard Reve én Frans Kellendonk. Wat deze auteurs met elkaar gemeen hebben, aldus menig literatuurbeschouwer, is dat zij in hun werk op zoek zijn naar een nieuw godsbeeld, onder het mom van, om zo te zeggen, ‘als ik hem zoek, dan moet hij toch bestaan’. In dit verband is het volgende citaat uit ‘Opa’s Wijsvinger’ illustratief en tekenend voor De Jonge’s literatuur- c.q. kunstopvatting: ‘Faust gaat over de vraag hoe het is te leven zonder religie; wij dienen ons zo langzamerhand af te vragen hoe het is te leven met religie. Daar zou kunst over moeten gaan!’

Freek de Jonge leest van papier. Aanvankelijk vooral zittend in een fauteuil, die naast een tafeltje met zijn laptop staat. De laptop staat aan, maar hij gebruikt die niet. Halverwege de lezing, die ruim een uur duurt, stuurt hij even aan op een -applaus: ‘In het theater klinkt dan een applausje en dat is niet zo zeer bestemd voor de artiest, maar meer voor het publiek om even een punt ergens achter te zetten. Gaat uw gang! Want je gaat toch op de een of andere manier steeds meer verkrampen tijdens zo’n toespraak…’

Het is een lezing in negen bedrijven, te beginnen met twee filosofische verhandelingen over onder meer religie. Die worden gevolgd door afwisselend vier liedteksten die hij declameert (Reikhalzend verlangen, Vaders stem en Wees niet bang en een nieuwe tekst: Kraak me) en drie verhalen. Vooral staand en lopend vooraan op het podium illustreert hij daarin zijn opvattingen uit de eerdere verhandelingen. En hij past ze toe door ze volledig en steeds humoristischer op zichzelf te betrekken: ‘De wat jongere cabaretier zocht, omdat hij zich aan hem schatplichtig voelde, contact met een wat oudere cabaretier, een gewezen wereldverbeteraar. (…) Laten we die wat oudere cabaretier voor het gemak maar even “ik” noemen.’
Enkele van de verhalen komen in december terug in Freeks Nederland en het titelverhaal zal terugkeren in de voorstelling Volendam.

De organisatie van de Kellendonk-lezing is gewend al op de avond zelf een boekje met de tekst uit te geven. Freek de Jonge heeft geëist eerst zijn lezing te kunnen houden en pas daarna de tekst in te leveren voor uitgave ervan. Dat boekje verschijnt later in het jaar. Op de achterkant heeft hij het thema van zijn lezing in woorden proberen te vangen:

Met de vraag ‘Wat wil ik zeggen en waarom?’ houdt Freek de Jonge zich al meer dan veertig jaar bezig. Het ‘waarom’ evolueerde in die vier decennia van blinde ambitie via hoogdravend wereldverbeterend idealisme tot het berustende: van thuis zitten word je ook niet vrolijk.

Het ‘wat’ maakte de ontwikkeling door van onbewuste absurditeit via pretentieus zelfonderzoek naar… ja, naar wat?

Het antwoord geeft hij hier niet, maar zit vervat in de titel en in het laatste verhaal: Komt u volgend jaar maar terug. De lezing is bovenal een ode aan het geduld:

Nog drie keer ben ik gegaan, steeds met een andere vraag. Steeds luidde het antwoord: ‘Komt u volgend jaar maar terug.’ En als ik ongeduldig begon met ‘ja, maar’, fluisterde de meester: ‘Geduld.’ En opeens (…) had ik het door. (…) ‘Geduld’, dat was het antwoord. Dat was het antwoord op alle vragen. Wat is de sleutel tot verantwoord leven? Geduld. Is er leven na de dood? Geduld. Wat is het eeuwige leven anders dan een kwestie van geduld. Duurzaamheid, het modewoord van deze tijd, geduld. ‘Geduld’ is de voltooide tijd van ‘dulden’. Wie kan ‘dulden’ heeft ‘geduld’. Wie kan ‘dulden’ wordt ‘geduld’.
Ik was overtuigd van mijn inzicht. Na een jaar ging ik terug en zei tegen de meester: ‘Ik ben hier voor de laatste keer. Ik heb het begrepen. Het antwoord op alle vragen is geduld.’ (…) Wat zei de meester? ‘Kom volgend jaar maar terug.’ (…) Toen wist ik het zeker en ben gaan mediteren. Mediteren? Ja, dat is een ander woord voor ‘geduld oefenen’.