Iets rijmt op niets

Zomaar zo’n tussenzinnetje in de eerste alinea van zijn Een woord achteraf: ‘Nu ik me voorgoed uit de showbusiness terugtrek.’ Ook in 1985 nam Freek de Jonge dat besluit, maar de periode 1980-1985 (van De Komiek tot De Finale) kreeg inmiddels haar vervolg met opnieuw vijf theaterjaren: 1986-1990 (van Het Damestasje tot De Volgende).
In 1986 keerde hij, elf maanden na zijn afscheid, terug, want toen ontstond uit voorleessessies van zijn tekstbundel Het Damestasje de gelijknamige voorstelling. En ook nu zal hij zijn besluit herzien. Zijn woord achteraf in Iets rijmt op niets is van februari 1990. Vijftien maanden later, in mei 1991, huurt hij het Concertgebouw af om zijn roman Neerlands Bloed integraal voor te lezen. In december 1991 is hij weer te zien in het theater en zal hij beginnen aan zijn derde periode als solistisch theatermaker.

Iets rijmt op niets bestaat uit 174 liedteksten die Freek de Jonge schrijft in de periode 1967-1990. Ruim honderdtwintig daarvan stammen uit de Neerlands Hoop-periode (1968-1979). Eén lied is nog ouder: Merck toch uw zerk, de B-kant van een single van De Paradijsvogels, uit 1967. Op dat moment vormen Bram en Freek nog een trio met Johan Gertenbach. De overige vijftig liedteksten zijn voornamelijk afkomstig uit tien jaar soloprogramma’s (1980-1990) of geschreven voor gelegenheidsvoorstellingen in die periode of wel gemaakt, maar (nog) zonder er iets mee te doen. Niet uitgevoerde teksten krijgen in deze bundel de vermelding manuscript. Daaronder ook het lied dat hij speciaal voor deze bundel schreef: Als jij er niet meer bent. Daarbij staat jij voor zijn publiek, van wie hij met deze bundel immers afscheid neemt.

als jij er niet meer bent
wil ik de wereld overtrekken
en zal ik een ander kind verwekken
dat niet op het onze lijkt minder verwend
waar ik harder voor moet werken
zodat ik nauwelijks zal merken
dat jij er niet meer bent

(…)

als jij er niet meer bent
zal ik je blijven schrijven
het cliché wil dat we vrienden blijven
totdat jij mijn handschrift niet meer kent
probeer me maar niet te begrijpen
ik kan alleen maar verder rijpen
als jij er niet meer bent

(…)

als jij er niet meer bent
dan kan ik niemand worden
jij was mijn klem mijn laatste horde
de rem op weg naar transcendent
pas als jij niet meer van mij wilt weten
kan ik het zonder pijn vergeten
omdat ik zonder jou niets ben

De teksten zijn niet chronologisch, maar alfabetisch gerangschikt. Ze krijgen alle een verwijzing naar de componist en (niet foutloos) naar de bron: voorstelling en jaar. Een register op de eerste regel ontbreekt dan nog. Dat voegt hij pas toe aan de uitgebreide derde verzameluitgave van zijn liedjes, met in totaal 244 liedteksten. Die verschijnt in 2004 onder de titel Leven na de dood en alle andere liedjes. De tweede editie, met 203 teksten, dateert van 1997: Iets rijmt op niets (Wat met alles niet het geval is). Verzamelde liedjes 1967-1996.
In 2007 zal opnieuw een liedtekstenbundel verschijnen, maar dat is een bloemlezing van zijn mooiste 101 liedjes. In die uitgave, getiteld Wees niet bang, zijn de liedjes chronologisch gerangschikt, al vallen er ook hier wat steken.

Het ontbreken van zo’n beginregelregister in de eerste en tweede uitgave is lastig, omdat sommige liedjes in de theaterprogramma’s geen titel hebben of in deze bloemlezing een andere naam krijgen. Ter illustratie: uit Neerlands Hoop Express komt het lied Eenzaamheid en onder die titel staat het ook op de grammofoonplaat. Maar in deze bundel heet het De blues. En dan staat het ook nog bij de letter d, want lidwoorden doen gewoon mee. Schip met gekken (uit Stroman en Trawanten) is nu Het narrenschip (en dus te vinden onder de letter h). Ook ontbreekt – en dat zullen de latere herdrukken niet verhelpen – een discografisch overzicht met verwijzingen naar de geluids- en beelddragers waarop de liedjes te vinden zijn.
Ook de herziene druk van Iets rijmt op niets, uit 1997 dus, krijgt een nawoord. Dat begint met: ‘Zingen is voor mij een natuurlijke behoefte gebleken. Uit mijn voorgaande nawoord kon de lezer opmaken dat ik het lied als expressiemiddel was gaan verwaarlozen. Na vele jaren van monologen, conferences en verhalen ging ik opeens als vanzelf weer liedjes schrijven.’
De kleine dertig nieuwe teksten die in die herdruk zijn opgenomen, geschreven tussen 1990 en 1997, komen grotendeels voort uit de samenwerking met Robert Jan Stips. Dit gebeurt in de muzikale projecten van Frits (Freek + de Nits): Het geheugen (1994) en Dankzij de Dijken (1995). Met Stips (zonder de Nits) maakt hij Langzame Liedjes (1996).

COULISSEN

‘Alvorens u te vertellen hoe het lied verder door mijn loopbaan slingert, wil ik u mijn definitie van een liedje niet onthouden. Een liedje bestaat uit bewust gerangschikte woorden, die zodanig op lichte muziek gezet kunnen worden dat een vertolking ervan mogelijk is. (Door muziek gefrustreerde poëzie.) Een cabaretlied onderscheidt zich van het louter amuserende lied door sociaal of politiek engagement en is veelal opzettelijk luchtig of bitter van toon.’

‘Wat mij opviel bij de redactie van de liedjes was, behalve de hoeveelheid en de verscheidenheid van onderwerpen, toch vooral de ongelijkheid van kwaliteit. Het is niet wijs zelf een waardeoordeel over mijn werk te geven, maar dit geeft wel aan dat wij, net als ons publiek overigens, in een soort roes leefden waardoor dingen begrepen werden die in feite ondoorgrondelijk waren. Daar komt bij: als het brood vers is, kan men de bakker nog ruiken.’

‘Veruit de meeste liedjes in dit boek komen uit die onvergetelijke jaren waarin alles kon. Veel liedjes kan ik na twee keer overlezen weer uit volle borst zingen.
De Neerlands Hoop-liedjes zijn opvallend weinig gecovered. Bij mijn weten slechts door Liesbeth List (Vogelvrij) en door Vivi Bach in het Duits (Elsje).’

‘Omdat liedjes maken ook veredeld puzzelen is, is het bij uitstek een geschikte methode om de concentratie optimaal te maken. Wat mij bij het vervaardigen van het eenvoudigste boekenkastje ontbreekt, het opbrengen van geduld, dus het vinden van rust, waarop de concentratie volgt, gaat bij het maken van een liedje moeiteloos. Het werkt als een mantra bij de meditatie. Een liedje begint vaak met de eerste regel, een inval of een pointe. Je kiest een rijmschema, een metrum, en het ene woord lokt het andere uit.’

‘Op de vraag of enkele van deze liedjes onder de noemer poëzie vallen, kan ik zelf het antwoord niet geven. Een gedicht is mijns inziens introverter dan een liedje. Omdat de betekenis van een gedicht niet na één keer lezen of horen doorgrond hoeft te worden, wat bij een liedje bijna een voorwaarde is, kan de dichter dieper gaan. Poëzie is ook wat dogmatischer dan de liedkunst. In oud-Hollandse termen zou je kunnen zeggen: poëzie hoort bij de preciezen, liedjes bij de rekkelijken.
Mijn plaats is bij de laatsten: ik verloochen mijzelf, overtreed regels die even tevoren dogma’s leken, spot met rijm en metrum, deins er niet voor terug clichés te ontrafelen en te creëren (De tijd doden komt wel een keer of zes voor) en ik schuw het effect niet.’

‘Over de rol van Hella heb ik in dit nawoord nog niet veel gerept. Zij heeft vanaf De Komiek een steeds prominentere rol gespeeld bij het maken van de theaterproducties en films. Ze wist door haar oprechte kritiek mijn teksten zuiver te houden en met haar smaak en artisticiteit het aanzien van de voorstelling te vervolmaken. Alle liefdesliedjes in dit boek zijn voor haar geschreven en gelden tot op de dag van vandaag.
Aan haar draag ik dit boek op.’ (Alle bovenstaande citaten zijn van Freek de Jonge in zijn ‘Een woord achteraf’ in deze bundel)

KRITIEKEN

‘Freek de Jonge zou wel eens de Heintje Davids van onze jaren kunnen worden. Ik geloof er namelijk niets van dat hij definitief afscheid genomen heeft van de showbusiness. Hij kondigt dat wel aan in het nawoord bij de uitgave van zijn liedjes. Maar wat zegt dat? Al wordt hij de nieuwe trainer van het Nederlands elftal, al neemt hij de artsenpraktijk over van Jan de Cler, al wordt hij burgemeester van Muiderberg, altijd zal hij terugkeren naar het theater omdat hij daar briljant is en ergens anders verdienstelijk. Op het toneel heeft hij het gezag van de lach en nergens anders.
Wat ik vind van zijn liedjes nu ik ze op papier lezen kan? Het heeft me altijd verwonderd dat de liedjes uit de Neerlands Hoop-tijd zo weinig sporen hebben nagelaten. Ze worden zelden op de radio gedraaid, andere artiesten nemen ze niet opnieuw op het repertoire. Wonderlijk is dat de Neerlands Hoop-liedjes veel gedateerder klinken dan het repertoire van Sonneveld, Halsema en al dat klassieke cabaret waar ze zich tegen wilden afzetten. (…)
Een van de redenen dat Neerlands Hoop zo fascineerde, was dat het een typisch product was van de popcultuur, maar dat het voor zijn uitingen de bedding koos van het cabaret. Wim Kan, Wim Sonneveld en Toon Hermans hadden de hoofdstroom van het theateramusement verlegd van revue en variété naar cabaret. Zij hadden zich afgekeerd van de schoonmoedergrappen van de conferencier en van de bijna-maar-net-niet-vreemdgaan-scènes van de revuekomieken. Ze brachten actualiteit, betrokkenheid, smaak, echt gevoel, muzikaliteit en kolder voor een breed publiek. Zoals elk kind in de jaren vijftig voelde Freek zich het meest aangetrokken tot Toon Hermans. Die stond het dichtste bij de clown, bracht humor die aan het verstand voorbijging en die geen gegevens uit de buitenwereld nodig had. Freek de Jonge deelde met Toon Hermans een grote liefde voor woordspelingen. Hermans liet de woorden alleen mal tinkelen. Freek gebruikte zijn woordspelingen vaak als quasi-diepzinnigheden. Eigenlijk hebben Toon en Freek de vele woorden die ze op het toneel gebruiken helemaal niet nodig. Pak Paul van Vliet zijn tekst af en hij is nergens. Toon en Freek zonder tekst blijven wie ze zijn. Hun persoonlijkheid is hun programma, hun lichaam spreekt al, hun mimiek en plastiek zijn sterk, ze bewegen op een hoogst persoonlijke manier. Zij kunnen ook snel een programma maken, omdat ze het in de zaal met het publiek maken. Ze beginnen de eerste try-out met een idee, wat liedjes en wat aanzetten voor conferences en de rest groeit terwijl ze al spelen. Veel van wat hen bijzonder maakt, is niet op papier weer te geven. (…)
Er staan schitterende gevoelige hoogstandjes en ook hele domme platte liedjes in, technische hoogstandjes en amateuristisch gerijmel. Repertoire voor nieuwe Nederlandstalige popgroepen en cabaretiers, een aanwinst voor elke boekenplank…’ (Jacques Klöters in Vrij Nederland, 28 juli 1990)

‘Bij de redactie van zijn bundel is Freek de Jonge naar eigen zeggen opgevallen hoe ongelijk de kwaliteit van de teksten was. Met die observatie ben ik het eens. Er staan krakkemikkige nummers in, waarin soms zelfs – in zinnen als “Waar we (…) zonder schaamte deelden lach en traan” – de logische volgorde van de woorden is opgeofferd aan de rijmdwang. Er zijn liedjes die op papier niet meer herinneren aan het krachtige effect dat ze ooit in het theater teweeg brachten. Daar staan echter heel wat bondig geformuleerde statements tegenover. Bij het lezen viel me op hoe vaak ze in heldere spreektaal zijn geschreven; in de voorstellingen vloeiden ze voort uit het gesproken woord, waarvan de poëzie al is bewezen door de boekuitgaven van zijn theatersoli.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 25 mei 1990)

PUBLICATIES

Iets rijmt op niets. Verzamelde liedjes 1967-1990.
Eerste druk (gebonden uitgave en in paperback) en tweede druk (paperback) (1990).

Iets rijmt op niets. (Wat met alles niet het geval is.) Verzamelde liedjes 1967-1996.
Uitgebreide heruitgave (1997).

In 2004 verschijnt er dus een nieuwe verzameluitgave, maar dan onder een nieuwe titel: Leven na de dood en alle andere liedjes. En in 2007 verschijnt er een bloemlezing onder de titel Wees niet bang. Mijn 101 mooiste liedjes.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]