Recensies en reacties

5 tot 7 minuten leestijd

Het zag er naar uit dat Freek de Jonge zonder haperen het derde deel van zijn herinneringen zou kunnen schrijven, maar nee, deel drie werd gestoord door veel ziekte en ongemak. Maar ‘dat boek komt er’, zei zijn vrouw Hella. Ze kreeg gelijk.

Door ziekte kon De Jonge in 2023 een aantal maanden niet aan deel 3 van zijn memoires De Zeeuwse jaren (van de Cubacrisis 1962 tot de maanlanding 1969) werken. Wanneer het schrijven weer op gang komt gaat hij ook weer verder met zijn gewoonte om de eerste versie van wat hij geschreven heeft voor te lezen aan een beperkt gezelschap mensen in Naarden. Dat stimuleert hem bij het schrijven. Het podium (ook met dit beperkte publiek) schrijft hij, is voor hem ‘de vrijplaats’ die hij zichzelf in de loop der jaren heeft verschaft. Om te vervolgen met: ‘Een geslaagd optreden sust het geweten en smeert de werklust.’ Bij het ongekende zelfvertrouwen dat Freek de Jonge altijd op het podium uitstraalt, verwacht je niet dat hij zo afhankelijk is van dat podium om zijn geweten te sussen.

We weten uit de vorige delen van deze memoires (Kom verder! en Reikhalzend verlangen) dat het geweten in het leven van De Jonge een grote rol speelt. Zijn vader, de licht orthodox hervormde dominee, was een en al geweten, al belastte hij daar zijn kinderen (twee dochters, twee zoons, onder wie Freek) niet mee. Hij had Freek ‘nooit een strobreed in de weg gelegd’, zegt zijn zoon. Ook al las zijn vader er misschien nooit in, de titel van het boek van Walter Nigg Tragiek en triomf van het geweten was al genoeg om altijd eerst na te denken. Zijn vader deed het in zijn eigen ogen nooit goed. Hij voelde zich permanent schuldig (deed hij wel genoeg om de ontkerkelijking tegen te gaan?). Hij was ‘niet nederig genoeg’.

Wanneer de familie De Jonge in 1962 van Zaanstad naar Zeeland verhuist wordt dominee De Jonge leraar Geschiedenis. Ze verhuisden, leert Freek pas een paar jaar later, omdat hij te vaak bleef zitten. Er was een drastische verandering van omgeving nodig. Die kon misschien iets doen aan Freeks gebrek aan belangstelling om iets te leren. De noodzaak ervan was nog niet tot hem doorgedrongen. Hij zal uiteindelijk negen jaar over zijn middelbare school doen. Om zijn geweten te sussen neemt zijn vader in Zeeland elke gelegenheid om te preken gretig aan. Hij springt meteen in zijn auto (Peugeot). Toch werd zijn vader in de ogen van de familie nog te licht bevonden. Daarom mocht hij niet zomaar beschikken over de Statenbijbel van de familie, met koperen sloten uit de zeventiende eeuw. Die Bijbel is een terugkerend vingertje in de memoires. Ook al gaat Freek vaak met zijn vader mee, het geloof zegt hem niks. Voor zijn geweten heeft hij oplossingen: als hij eens iets zondigs had gedaan, zoals stiekem naar de film gaan met een vriendje, dan loste hij een extra collecte in de kerk in om zijn geweten te sussen. Maar het geweten besluipt hem ongemerkt. Tot het uit alles wat hij doet en zegt blijkt: hij wordt een geëngageerde komiek. Na de dood van zijn vader in 1968 een ketterse komiek.

Voorbestemd

De rode draad in zijn solovoorstellingen hebben altijd met een moraal te maken. Zijn vader was altijd bang dat Freek zou afglijden naar de platte kant van het amusement. Hij vond Paul van Vliet en Seth Gaaikema daarom goede voorbeelden voor Freek. Die hadden als komiek eerst hun studie afgemaakt. Maar het waren voor Freek te veel aangeharkte komieken. Hij geeft toe dat zijn ‘verweer tegen het geheel verzorgde een neurotisch trekje had’.

Freek de Jonge had al vroeg het idee dat hij was voorbestemd om komiek te worden. Het zou gebeuren, bijna als vanzelf.

Willen memoires enigszins betrouwbaar zijn, dan moet alles er zo’n beetje in voorkomen. Dus moeten de paar jaar dat Freek student in Amsterdam was, onder meer Nederlandse studeerde en lid was van het Amsterdam Studentencorps, er ook in. Maar het is een verslag van een dieptepunt dat alleen draaglijk is omdat de energieke en sociale Bram Vermeulen in zijn leven komt. En dan was Freek nog niet eens een drinker (‘lamzuipen was een belemmering om te genieten van de vrijheid’). Bram Vermeulen bracht de sport mee (hij was een gerenommeerd volleyballer) en onverschilligheid ten aanzien van het geloof. Daar keek Freek nog van op toen Bram naar aanleiding van het Beeldreligie-gebed in Zo is het toevallig ook nog eens een keer tegen zijn vader had gezegd ‘dat hij zich niet kon voorstellen dat iemand met een meer dan gemiddeld verstand in deze tijd nog in God kon geloven’. Daar was zijn vader door gekwetst.

Freek de Jonge had al vroeg het idee dat hij was voorbestemd om komiek te worden, het moest alleen nog even vorm krijgen en gerealiseerd worden. Het zou gebeuren, bijna als vanzelf. De Typhoon had op 3 maart 1958, naar aanleiding van het optreden van de dertienjarige Freek op de feestelijke avond van de Zaanlandse Lyceumvereniging (ZLV), immers geschreven dat iedereen in de zaal, inclusief de leraren, ‘krom had gelegen van het lachen’. ‘Levendig, met kostelijke mimiek en grapjes’ was hij geweest. Dat verplicht. Toch bracht De Jonge zelf hindernissen aan die een voorspoedig realisatie afremde: hij wilde bijvoorbeeld niet lezen. Hij dacht dat alles hem kwam aanwaaien. Hij ontkent niet dat het lot hem gunstig gezind was door hem zijn vriend Martenjan te schenken: die las voor hem wat er gelezen moest worden. Die las boeken als Jean-Paul Sartres Walging, die las Albert Camus’ De mens in opstand. Zo kon Freek zich min of meer in de buurt van het redelijke absurdisme van Camus positioneren en niet bij het existentialisme van Sartre.

In zijn studententijd, waarin in te kleine kamers niet veel meer gedaan werd dan er wegwezen en slapen, werd zijn ‘vanzelfsprekende vertrouwen’ op de proef gesteld. Zijn vader was er niet, zijn beste vriend was er niet. Hij keerde in zichzelf. Met het schrijven over deze duffe periode haalt hij het tot 1968, dan loopt De Jonge vast. Zoals hij tot dat moment zo geloofwaardig mogelijk over zichzelf schreef, zo legt hij nu zijn minimale kaarten op tafel: ‘Er overkomt me te veel waar ik geen vat op heb. Thuis, in het land, in de wereld.’

De wereld mag vergaan

Hij moet het schrijven over 1968 achter zich laten en het nu over het hier en nu van 2022 hebben. Het jaar waarin de documentaire Het Atelier – Portret van Hellawordt gemaakt en Freek op 3 januari 2023 tijdens een voorstelling een black outvan twintig minuten krijgt. Dat is hem nooit eerder overkomen. Wanneer op 8 januari, later dan de bedoeling was, de voorstelling De schreef wordt uitgezonden op de televisie constateert Freek: ‘We kunnen rustig stellen dat de opwinding rond mijn werk tot het verleden behoort.’ Het is de inleiding voor wat wel een lijdenstijd in Freeks en Hella’s leven mag heten: hij krijgt dagenlange helse plasproblemen, zijn maagwand blijkt een verdacht plekje te hebben. Er zijn een prostaatoperatie en een maagoperatie nodig, inclusief lastige en kundige doktoren en verpleegsters. Hella krijgt last van een van haar benen.

Freek wordt verscheurd tussen zijn zorg voor Hella en zijn zorg voor de memoires. Hij begint het geloof in zijn memoires te verliezen: ‘Ik was naar hartelust herinneringen aan het ophalen en opeens ervaar ik ze als te vrijblijvend in deze tijd met zijn oorlogen, natuurrampen en onverantwoord populisme.’ Het is alsof zijn vader hem het omslag van Tragiek en triomf van het geweten voorhoudt. Hij wil ophouden met dit vrijblijvende gedoe, even later wil hij weer doorgaan (‘de wereld mag vergaan, wat hij doet, ik schrijf door’). Maar hij kan het niet langer combineren, Hella, vader, Bram, optreden, schrijven, ziek zijn, oorlogen. Wanneer hij het diepste punt bereikt lijkt te hebben, zegt Hella laconiek dat hij zich helemaal geen zorgen hoeft te maken over dat boek: ‘dat boek komt er.’

Freek de Jonge slingert in zijn memoires van onbevangen vertellen naar zichzelf lucide doorzien.

Freek de Jonge slingert in zijn memoires van onbevangen vertellen naar zichzelf lucide doorzien. Dan heeft hij het over de ‘ijdele behaagzucht’ die zijn ‘meeste werk kenmerkt’. Wanneer hij zichzelf te kijk zet als een egoïst en een autist is dat hoogst geloofwaardig. Even later gedraagt hij zich echt weer als een egoïst. Wanneer Hella in plaats van in de middag al in de ochtend wordt geopereerd is dat natuurlijk ‘fantastisch’, maar het gooit wel zijn schrijfplannen in de war. Hij kan haar er nog niet bij hebben. Vijf pagina’s verder is het zelfbeklag weer niet van de lucht.

Het is verleidelijk om dit negatief te nuanceren door te wijzen op de theatrale kant van dit egoïsme en zelfbeklag. Is het bedoeld om een soort literair effect te sorteren? Dat is maar tot op zekere hoogte zo. De Jonge raakte in 2023 echt mentaal in het nauw, dat is aan zijn zinnen af te lezen. Meestal komt hij er glorieus uit, maar soms is hij in de war en kan hij het niet ‘niet langer combineren’. Hij komt in dat jaar ook steeds dichter bij de zorgelijke gedachtewereld van zijn vader. Als lezer beleef je het allemaal mee, soms zit je er lichtelijk gênant dicht op, meestal is het mooi en betrouwbaar: zo was het.

De Zeeuwse jaren. Memoires 3 door Freek de Jonge is uitgegeven door Atlas Contact.

Oorspronkelijk artikel: Vrij Nederland, 18 juni 2024

Na Kom Verder (de jaren in Friesland) en Reikhalzend Verlangen (Zaanse herinneringen) is nu deel 3 verschenen van de memoires van Freek de Jonge: De Zeeuwse Jaren. Dat smeuïg geschreven deel gaat over de jaren zestig en is voor de cabaretgeschiedenis vooral interessant vanwege de ontmoeting met Bram Vermeulen en het begin van Neerlands Hoop.

  • De eerste keer dat Freek de Jonge naar de stembus mocht, bracht hij zijn stem uit op de Christelijk Historische Unie. Hij was dus toen nog geenszins los van de invloed van zijn vader, de dominee.
  • Bij de eerste ontmoeting tussen Bram Vermeulen en de ouders van Freek zei Vermeulen doodleuk aan de eettafel toen de vader van Freek nauwelijks ‘Amen’ had gezegd om het dankgebed af te sluiten: ‘Ik kan me niet voorstellen dat iemand met een meer dan gemiddeld verstand in deze tijd nog in God kan geloven.’
  • Het heeft niet zo gek veel gescheeld of Jacques Klöters had Freek de Jonge cabaretgroep Don Quishocking binnengeloodst en hadden we dus Neerlands Hoop kunnen vergeten.

Het zijn drie van de vele opmerkelijke feiten uit De Zeeuwse Jaren van Freek de Jonge, ofschoon dat laatste feit natuurlijk uit Amsterdam stamt, waar de nepstudent De Jonge terecht was gekomen na zijn tienerjaren in Zeeland. De memoires draaien natuurlijk in eerste instantie om Freek de Jonge zelf, maar De Zeeuwse Jaren is ook een kroniek van de tijd. Net als in vorige delen mengt De Jonge kerkgeschiedenis, vaderlandse geschiedenis en familieleven tot een groot geheel, waarbij zijn fantasie een belangrijk wapen is om alle feiten met elkaar te verbinden.

De lezer is aanvankelijk diep onder de indruk van het fenomenale geheugen van de bijna tachtigjarige. De meest minuscule details van de omgeving en dialogen uit het verleden worden opgelepeld alsof het gisteren gebeurd is. Tot het echt te bovennatuurlijk wordt en je moet concluderen dat Freek het geraamte van het verleden naar eigen inzicht heeft opgevuld en ingekleurd. Daar is niks mis mee, want de kern en de sfeer blijven overeind en die werkwijze heeft voor een zalig leesbaar vuistdik boek gezorgd.

Van Zaandam naar Goes
De vader van Freek had tot verbazing van zijn kinderen zijn leven als dominee in Zaandam verruild voor een baan als godsdienstleraar aan het Christelijk Lyceum voor Zeeland in Goes. Wel bleef hij veelvuldig preken in de omgeving, wat blijkt uit de notitieboekjes waarin hij minutieus bijhield waar hij op de kansel had gestaan en welk bijbels thema hij daar heeft aangesneden. Zoals de sportfanaat, een passie die vader en zoon deelden, ook heel nauwkeurig de voetbaluitslagen in een boekje bijhield.

Het was voor Freek enigszins ongemakkelijk om naar dezelfde school te gaan waar zijn vader (met behoorlijke ordeproblemen) lesgaf. Vanwege de nodige doublures in Zaandam was hij veruit de oudste in de klas en voelde zich daardoor niet echt thuis. In de levendige schoolkrantredacteur Martenjan van de Guchte vindt hij een geestverwant, je zou bijna zeggen, een jonge, Zeeuwse uitgave van Bram Vermeulen. De scholier las John Steinbeck, Homerus, Camus, Jan Wolkers en Gerrit Achterberg.

Als Martenjan naar Freeks toekomstplannen informeert, antwoordt hij zelfbewust: ‘Ik ga Toon Hermans worden.’ De reactie van Martenjan is even nuchter als intelligent: ‘Dat hoeft niet. Daar is er al een van. Je moet zelf iets verzinnen.’ Ofschoon Toon voor Freek de Jonge heel belangrijk is geweest heeft hij zich aan de opdracht van zijn Zeeuwse vriend gehouden en groeide Freek de Jonge uit tot de grootste Nederlandse cabaretier.

Freek is blij als hij als student Nederlands Zeeland kan verruilen voor Amsterdam. Daar mengt hij zich direct in het culturele leven. Als Freek een begeleider zoekt voor een cabaretoptreden op de ontgroeningsdag van het corps tipt Jop Pannekoek, die met de feuten liedjes instudeerde, Bram Vermeulen voor die klus. De student psychologie en volleyballer bij AMVJ en het Nederlands Team is voor alles te porren. Freek herinnert zich kleine details.

Een jongeman stond gekromd zijn bromfiets aan een hek te klinken, geheel omgeven door een gebroken witte trenchcoat. Hij kwam overeind, draaide zich om, stak zijn hand uit en ik zei: ‘Jij bent Bram!’

‘Ja!’ bevestigde hij mijn constatering gelukzalig. Dat dat Bram-zijn juist hem mocht overkomen maakte hem zielsgelukkig.

Zijn eerste gezicht liet een onbedaarlijke zin in het leven zien. Mij sprong meteen de rechterbovensnijtand in het oog die door de rest van het bovengebit prominent naar voren was gedrukt.

‘En jij bent Freek!’

‘Het heeft geen zin daaromheen te draaien,’ antwoordde ik zo onverschillig mogelijk, doch wel degelijk in de hoop dat deze ontmoeting historisch ging worden. Bram bleek ook nog eens een roekeloos snelle beslisser. Zonder een seconde verloren te laten gaan aan overwegingen of bedenkingen had hij op mijn vraag of hij pianist van het Amsterdams Lustrum Studenten Cabaret wilde worden ‘Ja!’ geantwoord en vroeg toen pas: ‘Wat gaan we doen?’

‘Dat gaan we bedenken,’ zei ik verrukt.

Het gevolg van deze ontmoeting is inderdaad historisch geworden: de cabarock ‘n roll van Neerlands Hoop. Toen Vermeulen meer een sta in de weg werd voor de nieuwe theaterplannen die Freek had, werd Bram in 1979 tamelijk harteloos aan de kant gezet. Ofschoon Freek later op het podium en in boekvorm en interviews wel vriendelijke en dankbare woorden heeft gebruikt voor Bram, zien we in De Zeeuwse Jaren pas echt de warmte die Vermeulen heeft verdiend. Hij was degene die met zijn topsportmentaliteit Freek heeft meegesleurd naar de cabarettop. Bram moest en zou altijd winnen, of het nou met volleybal, tafeltennis of cabaret was. Het zal de leeftijd van Freek wel zijn dat hij nu zijn diepste gevoelens voor Bram kan tonen.

Brams ongegeneerde levenslust en grenzeloos vertrouwen sloegen vanaf de eerste ontmoeting over, gaven me de energie en de overtuiging dat ik mijn diepste verlangen kon gaan verwerkelijken.

Op het moment dat Bram doorhad dat hij zich in het volleybal niet meer kon ontwikkelen koos hij voor Neerlands Hoop en liet mij ten volle profiteren van zijn onuitputtelijke drijfkracht.

De première van Neerlands Hoop was in 1969 in de Stadsschouwburg van Haarlem. Op 20 juni is dat precies 55 jaar geleden, en daarom heeft Freek de Haarlemse schouwburg uitgekozen om De Zeeuwse Jaren te presenteren.

De toenmalige directeur van de Stadsschouwburg was Peter Lohr, die bekendheid had gekregen door de befaamde scène Beeldreligie van het satirische tv-programma Zo is het toevallig ook nog ‘s een keer, waarin televisie kijken als de nieuwe godsdienst werd benoemd. ‘Wees met ons, o beeld, want we weten niet wat we zonder u zouden moeten doen.’Freek schrijft dat zijn vader, die na lang twijfelen toch maar een televisie in huis had gehaald, (de liefdadigheidsactie Open het Dorp en de Elfstedentocht hadden hem in 1963 over de streep getrokken), diep geschokt was door die uitzending. Toen Neerlands Hoop door de vooruitziende theaterblik van Lohr in Haarlem in première ging, was zijn vader inmiddels overleden. Freek vermoedde dat de portier het bij het foute eind had, toen hij tegen Freek zei: ‘Jammer dat uw vader dit niet meer mee kan maken.’

Jork en Maggie
De eerste jaren klampte Freek zich aan Bram vast. Zelfs toen in 1974 Jork, de drie maanden oude zoon van Hella en Freek, overleed. Hij liet Hella en haar verdriet alleen en stond alweer snel op het podium. Hij beschouwde Jork, waar hij nog geen band mee had opgebouwd, nog niet echt als zijn eigen kind, maar vooral het kind van de moeder. Dat was anders bij het overlijden van hun kleinkind Maggie, die met een ernstige hartafwijking was geboren. Toen zat het verdriet veel dieper en toen besefte hij pas goed hoe hij zich vijftig jaar eerder tegenover Hella had gedragen (misdragen). Ook al zijn dat gebeurtenissen die buiten de Zeeuwse Jaren 1962-1969 vallen, het maakt toch deel uit van het boek. Dat komt omdat Freek tijdens het schrijven opeens volkomen vast zat en een sprong maakt van 1968 naar 2023. Dat was een absoluut rampjaar voor Hella en Freek, waarin beiden gezondheidsproblemen kregen die dodelijk hadden kunnen aflopen. Hella, bij wie ook heel wat pijn uit haar joodse familie zit, overwint de ellende door te gaan schilderen. Van dat proces is op aandringen van Freek de documentaire Het Atelier gemaakt. Freek is in het actuele hoofdstuk ongelooflijk open. Dat is bijzonder en ook mooi, maar bijna zo open dat je het niet allemaal zou willen weten. Vooral omdat het ook al gevoelig is samengevat in poëzie.

Opeens waart de dood rond in huis.
Wat als?
De dood die tot nu toe altijd achteraf kwam:
vader, zoon, kleindochter
laat zich dit keer bij voorbaat zien
en wie het verhaal van de tuinman en de dood kent
kan niet voorbij aan Ispahaan
O als jij
opeens niet meer bent
niet meer bent bij mij
mij achterlaat in dit huis
dat zonder jou geen thuis meer is

Vierhonderdvierenzestig pagina’s! Het is niet mis. Met wereldgebeurtenissen als de Cuba Crisis en de maandlanding, belangrijke persoonlijke indrukken als de eerste tamelijk onhandige liefdesschermutselingen en Poëzie in Carré in 1966 met Simon Vinkenoog, Johnny The Selfkicker en Jules Deelder, interessante carrièremomenten, zoals de onverwachte nederlaag bij Cameretten met winnaar Don Quishocking. Freek beschrijft ook mooie onderwerpen uit de familiegeschiedenis, zoals de strijd om het kostbare exemplaar van de Statenbijbel uit 1662, die door een speling van het lot niet bij Freeks vader, maar bij zijn tante terecht is gekomen.

Vierhonderdvierenzestig pagina’s! En dit is pas deel 3.

De gezondheid van Freek is buitengewoon broos. Hij is daar heel realistisch over. Zijn hele oeuvre van meer dan tachtig programma’s staat on ine, maar laat hem in godsnaam nog deel 4 en 5 afmaken.

Bron: Theaterkrant

‘Na een bladzijde of tien dringt het tot je door: ze hebben me te pakken, die zinnen, iets anders dan doorlezen zit er niet meer in. Op het toneel steelt humor zijn show, in het gedrukte verhaal van de schrijver is er ontroering. De lezer gaat vooral houden van het hoofdpersonage, vader De Jonge, die met zijn Peugeot 403 door de wereld van de jaren zestig stuift. Zoon Freek zit ernaast en noteert nauwgezet de nieuwe belevenissen, indrukken en personages op hun weg: Jaap Fischer, Little Richard, Anton Verhoeven, de Statenbijbel van een tante, Top of Flop met Herman Stok, waterpoloën tegen de Joegoslaven en hier en daar een Tanja of een Koosje. Hoe verliep de historische kennismaking met Bram Vermeulen? Prachtig. Maar wie is Gert Jan van der Breggen? Ik las De Zeeuwse Jaren en ken nu het hele hoe en waarom van Freek de Jonge.’

Jan Mulder

De Zeeuwse jaren gaan flonkerend door de nevelen van de herinnering’

Cherry Duyns





‘Goedgekeurd door het Twents Genootschap van Woordkunstenaars.’

Herman Finkers