De Goeroe en de Dissident

Freek de Jonge onderzoekt De Tragiek van De Komiek die in hem huist. Hij loopt, zij het in zelfonderzoek, mee in De Mars. En door De Openbaring die zich vervolgens aan hem voordoet, kan hij uiteindelijk in zijn eentje De Bedevaart maken. Daarmee is zijn innerlijke zoektocht afgerond en kan hij stoppen met theater, opnieuw gaan filmen, zich bekwamen als schrijver of emigreren en in het buitenland nadenken over wat zijn rol moet zijn als mens en kunstenaar…
Als het theater zich toch weer aan hem opdringt, moet dat zonder De Pretentie van voorheen. Maar kan dat wel: pretentieloos? Elke cabaretier is een dissident, maar waarom zou hij zichzelf te kort doen in waar hij zich juist mee onderscheidt: als filosofisch denker, als goeroe? Kortom: deze nieuwe zoektocht laat hem stilstaan bij de twee kanten die hij in zich verenigt, De Goeroe & De Dissident…

Zijn beslissing om in december 1985 te stoppen met theater heeft hij niet herroepen, ook al treedt hij in november 1986 alweer op met het Het Damestasje en komt hij, direct na De Pretentie (1987-1998), met alweer dit nieuwe programma: De Goeroe & De Dissident. Nog steeds heeft hij het gevoel dat hij op een punt van ‘onthechting’ staat; alleen heeft zich nog niet aan hem geopenbaard waartoe dat moet leiden. En in plaats van te breken, kiest hij daarom nu liever voor het etaleren van al die verschillende kanten van zijn kunstenaarschap. Zijn lang aangekondigde tweede film, De Kkkomediant, is in het najaar van 1986 verschenen. En Het Damestasje, januari 1987, laat zich lezen als bundeling van allerhande teksten, waarvan slechts een deel voor het theater geschreven is. Maar met Zaansch Veem debuteert hij eind 1987 echt als literair auteur. En voordat hij, februari 1989, voor lange tijd met zijn gezin naar Amerika vertrekt, speelt hij in het theater een programma waarin hij zich kan presenteren als de cabaretier die zijn publiek louter wil amuseren (De Dissident) en de filosoof die zijn gehoor van zijn kennis wil laten profiteren (De Goeroe).

In het tonen van beide kanten die hij in zich verenigt gaat hij ver en dat is ook wat op dit programma is aan te merken. In het deel voor de pauze valt er heel veel te lachen en zijn degenen teleurgesteld die meer diepgang van hem verwachten. Het tweede deel is qua thematiek veel boeiender, maar moet er door het korte tijdsbestek doorheen worden gejaagd. En degenen die juist zo opgelucht waren over de luchtigheid voor de pauze, zullen zich hebben afgevraagd waar al die zwaarwichtigheid van daarna voor nodig was.

In het uitvouwbare programmablad staan twee beroemde gedichten afgedrukt. Poëzie is een daad… van Remco Campert en Wees-u-zelf, zei ik tot iemand / Maar hij kon niet; hij was niemand, een tweeregelig gedicht van P.A. De Genestet.
Freek de Jonge geeft als toelichting dat Campert schrijft dat de dood een ontroering is . Dat zet hem aan het denken. ‘Roeren’ is het mengen van ingrediënten. Maar ook het roer bedienen, sturen. Als de dood ‘ont-roeren’ is, is het leven ‘roeren’ = ‘sturen’. De dood is dus: niet meer sturen.
Maar ‘ont’ betekent niet alleen de vooruitgang staken (zoals in ‘ontaarden’), maar ook het starten met een handeling (zoals in ‘ontvlammen’). Als ‘roeren’ het mengen van ingrediënten is, kan ‘ontroeren’ dus ook betekenen: het beginnen met mengen. De dood is dus: beginnen te mengen. Dat lukt niet tijdens het leven, wanneer de mens door van alles belemmerd wordt en zich dus niet kan mengen. Nou ja, wel in zaken, maar zonder op te lossen. Tot aan de dood. Als je de dood ziet als beginnen met roeren, dus met sturen, staat het leven voor het stuurloze. De dood is het roer uit handen geven, voortaan bestuurd worden door wat uitstijgt boven de levenden.

Als toelichting op De Genestets regels meldt hij dat mensen, in tegenstelling tot planten en dieren, nooit zichzelf zijn, omdat ze zich altijd meten met anderen, gestelde doelen moeten nastreven en elk individu dus eigenlijk streeft naar zichzelf. Daarom lijden mensen onder de dood, onder het niemand zijn, terwijl juist dat het doel zou moeten zijn. Immers, wie stopt te streven, heeft zijn doodsangst overwonnen en dus eigenlijk de dood, want hij kent geen angst meer, hoeft zich dus niet te verdedigen en dus niet te wapenen en… kan zich overgeven.
Het is het centrale thema van zijn soloprogramma’s: wie zijn doodsangst overwint, heeft niets meer te vrezen, zelfs de dood niet.

In datzelfde programmaboekje staat een inhoudsopgave. Vóór de pauze staan er twee titels van ‘bedrijven’ genoemd: Chaos en Verlegenheid. Daarna zeven: Vertrouwen, Concentratie, Discipline, Wijsheid, Diep Verlangen, Verschoning en Onthechting.
Hij vertelt dat het vanavond gaat over Verlegenheid. Die kunnen we verhelpen door elkaar Vertrouwen te schenken. Want pas dan kun je de stap maken naar de Concentratie: ‘Denken aan niets.’ Dan volgt, zoals we van hem kennen, één verhaal dat steeds wordt onderbroken door terzijdes: grappen over en verhaaltjes rond heel, heel veel BN’ers (zoals Lee Towers, als running gag van de voorstelling), naast terloopse opmerkingen over vrijheid en verantwoordelijkheid.
Het kernverhaal: vlak na de oorlog ziet hij in Parijs een orkestje spelen in een jazz-keldertje. Een van de muzikanten valt hem op door zijn imposante verschijning en door het feit dat het blaasinstrument waarop hij speelt zich moeilijk laat omschrijven. In elk geval speelt hij daarop maar zeven noten. Als hij er de jaren daarna terugkeert met telkens meer vrienden en bekenden die hij deze bijzondere plek wil tonen, speelt de muzikant steeds minder noten. Uiteindelijk nog maar één. Maar dat geldt ook voor de andere topmuzikanten. En de laatste keer dat hij er komt, is het doodstil. Iedereen luistert naar niets. In opperste Concentratie…
Vrij abrupt in het verhaal en voor zijn doel al vrij vroeg in tijd (na 45 minuten) kondigt hij de pauze aan en vraagt hij aan zijn publiek de opgebouwde Concentratie vast te houden. Vervolgens staat hij bewust nog vijf minuten te schmieren bij het toneelgordijn om die Concentratie weer af te breken en de Chaos te laten gelden.

‘Het is niet erg goed gekomen met die concentratie, hè’, laat hij zijn publiek weten als hij de tweede helft even plotseling begint als hij de eerste dreigde af te breken. Daarmee is hij meteen terug bij zijn onderwerp: de Concentratie. In kort tijdsbestek vertelt hij dat, als een kind zich concentreert, er een wereld opengaat. Door middel van Discipline wordt daar paal en perk aan gesteld. Dat moet ook, want iedere beperking van de Chaos zal tot verrijking leiden. Daardoor wordt men wijzer. Er volgen terzijdes en een lang verhaal over de betekenis van Wijsheid. Dit aan de hand van een parabel over een keizerrijk waar Koning Klant zijn zonen Prins Heerlijk en Prins Ipe voorbereidt op het koningschap en waar dood en verderf nodig zijn om te komen tot inzicht.
‘Oké, we hebben het gehad over Vertrouwen, Concentratie, Discipline en Wijsheid. Gaan we nu naar de Liefde.’ Dan volgen er enkele kolderiek fysieke acts inclusief muziek en geluidseffecten, gevolgd door de Sterfscène van Neerlands Hoop, die is uitgewerkt tot dialoog van de stervende vrouw (ingesproken band Sylvia de Leur) en haar man. Ook over dood en doodsangst.

Ondanks de zware thematiek blijft het programma licht van toon. Er zijn erg veel humoristische terzijdes en de thematiek jaagt hij er wel erg snel doorheen. Bovendien leidt het geschuif en gestapel met zeven tafels van steeds iets groter formaat erg af. Niet voor iedereen is de betekenis duidelijk van zeven noten, zeven stadia van de levensweg en zeven decorstukken die dienen als trap, zowel naar beneden (de jazz-kelder die het inzicht biedt) als naar boven (want de hemel kan nu worden bestormd). Niet gevormd door zeven tafels overigens, maar door zes, want de laatste poort…
Tijdens het laatste, alles omvattende en alles duidende verhaal stapelt hij ze. Het is een verhaal rond de zeven poorten. Ondanks de vele beproevingen bereikt hij via de poort van het Vertrouwen die van de Concentratie en vervolgens die van de Discipline en de Wijsheid en tenslotte die van Diep Verlangen en Vergeving…
Het is het thema dat in steeds andere varianten terugkeert. Met de juiste instelling kan de angst voor de dood overwonnen worden en daarmee dus eigenlijk de dood zelf. ‘Zo ben ik met dat verhaal gevorderd’, zegt hij dan en daarmee is de voorstelling ten einde. Hij heeft de Chaos bezworen om een beter mens te worden. Hij heeft nog niet het voorrecht de Onthechting te beproeven.

In dat laatste verhaal, op de negende symfonie van Mahler, komt het thema terug van het met steeds minder af kunnen. Dan wordt duidelijk hoe geraffineerd ook de cabaretier zelf dat spel heeft gespeeld. De eerste helft van zijn voorstelling is een aaneenschakeling van grappen, terwijl in het laatste deel van de voorstelling nog nauwelijks een grap huist. Ook met zijn publiek heeft hij dan de nagestreefde Concentratie opgebouwd.
De ongemakkelijke stilte wordt verstoord door een al even ongemakkelijk applaus. Freek de Jonge bekritiseert het, maar allengs luchtiger. Om dan vol begrip te eindigen met: ‘Het is het enige wat u terug kunt geven. Vooruit, klapt u dan maar…’

COULISSEN

Over de betekenis van de Concentratie heeft hij het ook dikwijls in interviews. Zoals jaren later, 15 maart 1997, tegen Corine Koole in Het Parool:
‘U wilt weten of ik een writer’s block heb? Of het een worsteling is? Nee, ik houd niet van dat gezeur. Als ik pretendeer iets te willen toevoegen aan die miljoenen meters boeken en schrift, moet ik niet zeuren als het eens niet lukt. En als het voor langere tijd niet lukt, dan moet ik er mee ophouden. (…) Natuurlijk heb ik ook mijn worstelingen. Dat heeft toch iedereen. Ik vind het alleen zo’n aanstellerij om daar een item van te maken. (…) Wat moet ik vertellen? Dat ik door het huis loop en denk: hoe nu verder? (…) Om me te ledigen. (…) Dat klinkt heel gek, maar ik denk dat een voorwaarde voor concentratie is dat de geest niet belast wordt door moeilijkheden in de zin van psychische problemen. Ik wil niet zeggen dat ik al mijn problemen oplos, maar ik ruim ze op. Wat ook uit mijn hoofd moet, is mijn geschiedenis, alles wat ik gedaan heb, herinneringen aan eerdere voorstellingen. En als laatste berg ik mijn ambitie op. Elk vaag idee wat ik met een voorstelling wil gaan doen, moet weg. (…) Dat is de ideale situatie, ja. Wanneer ik die dertig jaar steeds met me mee zou slepen, raakte ik na anderhalve zin al geblokkeerd. Ik heb er ongeveer een week voor nodig om die concentratie op te bouwen. In die week passeren de grootst mogelijke flauwekul en de briljantste ideeën. Dat is eigenlijk de mooiste en meest opwindende tijd. Alles is dan nog vloeibaar, je kunt nog alle kanten op. Een zin bubbelt op en spat weer uit elkaar. Dat klinkt misschien bezeten, maar pas als ik helemaal leeg ben lukt het iets moois te maken. Dan lukt het me de moed te vatten om te gaan zitten en te gaan schrijven. (…) Dan noteer ik alles wat me te binnen schiet. Het maakt niet uit wat ik schrijf. Het heeft in eerste instantie veel te maken met schetsen. De ordening, het schrappen en het schuiven, komt pas veel later.’
Toen Freek de Jonge aangaf na december 1985, na De Bedevaart en de oudejaarsconference De Finale, twee jaar met theater te stoppen, is gesuggereerd dat de bron misschien aan het opdrogen was. Eind 1986, begin 1987 heeft hij inmiddels Het Damestasje leeggeschud en daarna speelt hij in korte tijd maar liefst drie voorstellingen: De Pretentie (tot juni 1988), De Goeroe & De Dissident (vanaf september 1988) en de oudejaarsconference De Ontlading (laatste week december 1988). Nog stromend water genoeg dus.
Net als De Pretentie is dit programma een voorstelling zonder liedjes en dan ook zonder gebruik van muziekinstrumenten (zoals piano). Ook deze keer is de ondersteunende muziek niet speciaal gecomponeerd, maar reeds bestaand.
11 juni 1988 is de laatste speeldag van De Pretentie. In de eerste week van augustus geeft hij alweer drie avonden achtereen voorleesvoorstellingen in Den Bosch tijdens het zomertheaterfestival De Boulevard. Een titel is er nog niet; wel ruim anderhalf uur nieuw materiaal. Vanaf 6 september staat hij ermee in het Nieuwe De la Mar Theater.
Met De Pretentie doet hij Theater Carré niet aan. En met De Goeroe & De Dissident evenmin. Pas met De Volgende zal hij daar, april 1990, zijn rentree maken.
De serie in het Nieuwe De la Mar is gepland van 6 september t/m 29 oktober, vijf dagen per week. Daarom staat ook op het affiche vermeld: ALLEEN september & oktober. Omdat de publieke belangstelling enorm blijkt, wordt eind augustus besloten ook alle zondagavonden t/m 30 oktober te spelen.
Freek en Hella de Jonge hebben dan inmiddels besloten af te zien van hun Amerika-reis, die gepland stond voor februari 1989. Freek de Jonge zegt in september 1988 in een radio-­interview: ‘Laten we zeggen: om privéredenen gaat dat voorlopig niet door. Er zijn gezondheidsproblemen binnen het gezin, dus dat is heel privé.’ Hij had in New York een nieuw begin willen maken. ‘Niet op de manier van: jongens, in Nederland was ik geweldig beroemd. Dat zegt die Amerikanen niets. Ik was niet van plan een zaaltje op Broadway te huren en affiches op te hangen. Je moet beginnen bij nul en heel voorzichtig naar een publiek zoeken.’
In datzelfde radio-interview meldt hij dat hij na De Goeroe & De Dissident weer tijd wil hebben voor filmplannen en vooral voor het schrijven van een opvolger van zijn boek Zaansch Veem. Opnieuw overweegt hij zich terug te trekken van het podium. Freek de Jonge: ‘De Bomans van de jaren negentig worden, daar zou ik me niet slecht bij voelen.’
Een van de romans die hij hierna publiceert is Door de knieën (2004). Die vertoont qua opbouw – het doorlopen van verschillende stadia – overeenkomst met dit theaterprogramma, al gebeurt dat in het boek veel minder nadrukkelijk.

KRITIEKEN

‘Afgelopen zomer heeft Freek de Jonge even aan de Boom geschud en daar ligt alweer een programma. Het is dan nog groen. Vrijwel direct na gedane schrijfarbeid gaat hij de confrontatie aan met het publiek om het rijpingsproces te voltooien. Maar hij weet als geen ander dat de waarde van de reacties van het Freek de Jonge-publiek betrekkelijk is. Gelachen wordt er toch wel. Men is jaloers op de mentaliteit van de Dissident die weigert zich te conformeren en het publiek harde, dwarse grappen in het gelaat slingert. Men is jaloers op het schijnbare gemak waarmee de Goeroe de kwellende vragen des levens weet terug te brengen tot overzichtelijke sprookjes, waarin koningen worden beduveld door het Kwaad.
Daarom zou een langere oefencampagne voor een “blinde lege muur” niet zo gek zijn geweest. Bij gebrek aan kritisch publiek moet De Jonge zijn eigen scherprechter zijn en deze keer heeft hij die rol gebrekkig gespeeld. Zijn zelfkritiek is overstemd door het enthousiasme van het publiek. (…)
Gezeten op een troon van prachtig op elkaar gestapelde tafels, met het dwingend voortslepende Adagio van de negende symfonie van Mahler op de achtergrond, spuit De Jonge de epiloog de zaal in. Met de juiste instelling kan de angst voor de dood, en daarmee de dood zelf, overwonnen worden. De draden zijn aan elkaar geknoopt, de cirkel is rond. Knap, dat wel.
In het programmaboekje wordt een gedicht van Remco Campert geciteerd met de volgende slotregels: Maar de dood is slechts de stilte in de zaal / nadat het laatste woord geklonken heeft. / De dood is een ontroering.
Wat van nog geen enkel Freek de Jonge-programma kon worden gezegd kwam in de professioneel afgedwongen stilte in de zaal naar boven. Er was geen ontroering.’ (Patrick van den Hanenberg in de Volkskrant, 16 september 1988)
‘De eerste zin in de nieuwe solovoorstelling van Freek de Jonge is een feitelijke mededeling; de tweede is meteen al een grap die uit die eerste voortkomt. Het is alsof hij de goeroe-achtige reputatie uit de titel wenst af te zweren en erop uit is vooral een sfeer van vertrouwelijkheid te scheppen.
In een onbekommerde golf van grappen koketteert hij nog met de status van Bekende Nederlander, maar verder speelt hij de bescheidenheid zelve. De vriend die hem volgens zijn verhaal verdacht van verstriktheid in esoterische randgebieden, behoeft zich geen zorgen te maken – hier staat een virtuoos conferencier, die niets anders wil dan zijn publiek aan het lachen te maken. Meer dan ooit doet deze komiek zelfs aan Toon Hermans denken; een onbeduidend ogende opmerking over het belang van Luxemburg of een woordspeling over Weesper moppen is al voldoende om erop door te preluderen, tot in de zaal die euforie ontstaat waarin elk volgende woord een hilarisch effect heeft. Het beeld wordt nog versterkt door het groene gazonnetje waarop hij zich beweegt en de warm gekleurde belichting. Dit is de manier waarop Toon Hermans zich presenteert, gul en genoeglijk.
Er komt pas een eindweegs in de tweede helft een eind aan. (…) De grappen worden al navranter, er komen stiltes. En uiteindelijk volgt de parabel waarin alle lijnen van de voorstelling moeten samenvallen. (…) Zo wordt Freek de Jonge tenslotte toch weer de goeroe, die zich voor de pauze als een komische dissident tegen die domineesfunctie heeft verzet. Hoewel de dominee ditmaal het laatste woord heeft, krijgt de dwarsligger gelukkig alle ruimte om er grappen over te maken.’
(Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 16 september 1988)

SPEELDATA

September 1988 t/m mei 1989.

MUZIEK

Bestaande muziek op band van Gustav Mahler (adagio van de negende symfonie).

PUBLICATIES

Tekst
Programmavouwblad.
Met gedichten van Remco Campert en P.A. de Genestet en commentaren daarop van Freek de Jonge.

In het boek Losse Nummers (1992) zijn de conferences Kraan Drijvers Ballentent, Een stuk stervensbegeleiding en Vader vertelt opgenomen.

In De Rode Draad (1995) en de uitgebreide herdruk daarvan onder de titel De Toeschouwer (2006) twee fragmenten uit conferences: Bejaardenmishandeling en Plastic zak.

Geluid

2CD De Goeroe & De Dissident (1989).

CD-heruitgave (1992).

2cd-uitgave 140 minuten; heruitgave teruggeknipt tot 66 minuten.

Beeld

VHS-uitgave als deel 11 in de videoserie in 16 delen (1992).

DVD (met De Volgende uit 1989) als de vierde van vijf 2dvd’s in cassette onder de titel De Komiek. De grote shows 1980-1995 (2004).

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

—–

De Goeroe en de dissident

De basis van De Goeroe en de Dissident (1988) is de gedachte dat de mens tijdens zijn leven door zeven poorten moet gaan: Vertrouwen, Discipline, Concentratie, Diep Verlangen, Wijsheid, Vergeving en Onthechting. In een interview met Jan Paul Bresser legt De Jonge uit wat hij met deze gelijkenis bedoelt: ‘Wat ik in het programma doe, is niet veel anders dan een oude, klassieke levensweg beschrijven. Ik begin met de chaos en daarin de waanzin. In eerste instantie staat ieder mens verlegen in chaos en waanzin. Hij weet niet hoe hij het moet ordenen. En dan is het vervolgens de belangrijkste keus of je in het leven vertrouwen krijgt of niet. Mensen die geen vertrouwen hebben gaan schreeuwen en nemen aan de waanzin van de wereld deel. Maar degene die vertrouwen wint gaat ordenen. En dat kan hij door middel van discipline. Discipline is niet anders dan je verslaving weerstaan. Het hele leven is erop uit je ergens aan te binden, om je ergens aan te verslaven. Heb je eenmaal de verslaving overwonnen met discipline, dan kom je toe aan de concentratie, aan het vermogen om je gedachten te beheersen en te sturen. En ook om je helemaal leeg te kunnen maken – wat heel belangrijk is. Als je dat allemaal kunt, ben je toe aan de wijsheid. En wijsheid zorgt vervolgens voor diep verlangen en daarop volgt de vergeving, of de verschoning eigenlijk. En dan tenslotte de onthechting. Dat is de weg in het programma. Dat is mijn weg.’
Van alle poorten is de meeste aandacht weggelegd voor de poort der Concentratie. Het toppunt van concentratie is ‘het absoluut denken aan totaal niets’. Wat De Jonge hiermee bedoelt, legt hij uit aan de hand van een verhaal over een orkestje met een fluitspeler (‘eigenlijk is het geen fluitje’) in een jazz-keldertje te Parijs. Wanneer De Jonge vlak na de oorlog voor het eerst het keldertje binnenkomt, speelt de fluitist (een oermens uit de Kongo) slechts zeven noten. De Jonge is onder de indruk. Wanneer hij een jaar later samen met Simon Vinkenoog teruggaat, speelt de muzikant nog maar zes noten. De Jonge heeft meteen door dat hier iets heel bijzonders aan het gebeuren is, dat hier een kunstenaar bezig is zichzelf te beperken. Bovendien voelt De Jonge zich een beetje een muzikant, want hij kent de zevende noot en kan die hier en daar zelf invullen.
Het orkestje wordt steeds populairder en een paar jaar later gaan ze met een volle bus naar Parijs. De fluitist speelt nog maar één noot en de gitarist van de band (Django Reinhardt) heeft nog maar één kootje. Dit ontlokt op de terugweg bij De Jonge de opmerking dat hij het wat eentonig vindt worden. Een opmerking waar hij later veel spijt van heeft, maar iedere leerling moet door een fase heen waarin hij denkt het beter te weten dan zijn leermeester.
Weer een jaar later gaan ze met twee treinen naar Parijs. In het keldertje is het nu doodstil. Al het volk staat aandachtig te luisteren naar niets. Het toppunt van concentratie.
Wanneer De Jonge bij dit punt van het verhaal is aangekomen, is het in de zaal ook doodstil. De Jonge wil dat het publiek deze concentratie vasthoudt, zodat ze na de pauze niet helemaal opnieuw hoeven te beginnen. Hijzelf is echter degene die de concentratie alsnog verbreekt, doordat hij toch weer leuk wil zijn. Hij maakt nog een hele serie grappen voordat de pauze daadwerkelijk begint, waarbij onder andere de zeehondencrèche het moet ontgelden:
Dat infantiele gedoe met dieren
Ik word er ook helemaal gek van
Dat met die zeehondjes
Wat vind je daarvan?
Dat is toch de meest onuitroeibare soort dat er bestaat zeg
Daar hadden we toch een mooi euthanasie-programmaatje voor opgesteld, is het niet?
Die zouden toch in Groenland door die Canadezen met een bijltje….
Vijf zeehonden, een bontjas hadden we toch afgesproken?
Nee, dat vond men onmenselijk, inhumaan,
Men ziet die zeehondjes liever veertien dagen op het wad
urgh, urgh, urgh,
En wat heb je dan als ze dood zijn?
Een hoestdrankje voor kalveren misschien

Zoals de titel van de voorstelling al aangeeft, is De Jonge niet alleen de berustende Goeroe die zijn publiek op kalme toon langs de zeven poorten stuurt, maar ook de onrustige Dissident die overspannen probeert de maatschappij te veranderen. Deze laatste is duidelijk de grappigste van twee, zelfs als hij op het toneel achter een schotje een plas doet. Of aan het begin van de voorstelling, wanneer hij met een plastic zak over zijn hoofd opkomt:
Ik ben met roken gestopt
Ik denk ik trek een plastic-zak over m’n kop
Scheelt een hoop geld
En ik heb het net zo benauwd

Het decor van De Goeroe & de Dissident bestaat onder andere uit zeven tafels, met verschillende afmetingen. Doordat De Jonge deze tafels verschuift, kantelt en stapelt, zorgen ze de hele tijd voor een ander toneelbeeld. Zo vormen ze de trap waarlangs De Jonge afdaalt naar het jazz-keldertje in Parijs, de weg waarlangs de mens dient te gaan en een berg die beklommen moet worden.
Het is prachtig om te zien hoe De Jonge met dezelfde elementen telkens een ander beeld suggereert. De voorstelling krijgt hierdoor magische proporties, hetgeen alleen maar meer bijdraagt aan de concentratie van het publiek. En dat lijkt één van de doelen van De Jonge, namelijk om, net zoals de fluitspeler in Parijs, zijn publiek in steeds hogere graad van concentratie te brengen. Speelde de fluitist steeds minder noten, De Jonge vertelt steeds minder grappen. In de laatste twintig minuten van de voorstelling zit nauwelijks meer een grap. Het publiek is echter zo geboeid dat het dat niet eens in de gaten lijkt te hebben. De concentratie is compleet. Een cabaretier die dat kan, heeft het als kunstenaar ver geschopt. Zeker volgens de maatstaven van De Jonge in die tijd.

[Tekts: Pascal Klaassen, uit zijn afstudeerscriptie]