De Bedevaart

Concentratie is voor Freek de Jonge de basis voor het kunnen presteren. In De Bedevaart dwingt hij ook zijn publiek tot een hoge vorm van concentratie, wat de voorstelling een ongekende ‘spanning’ meegeeft, zeker omdat het publiek merkt dat het deze keer zelf niet buiten schot blijft.
De voorstelling is opgebouwd uit één verhaal met een aantal andere verhalen die verband houden met het thema van de voorstelling, maar ook een aantal scènes onder het motto De Komiek laat wat Grappen los. De cabaretier werkt zogenaamd aan zijn oudejaarsconference en bedenkt zijn grappen. Zijn humor slaat uiteraard enorm aan, maar hij toont zich teleurgesteld in zijn rol als grappenmaker en in zijn lachgrage publiek:

Het dieptepunt van mijn oeuvre! Hoe is het mogelijk dat dit soort dingen eruit komt en dat het publiek lacht? Misschien is dat nog wel het meest dodelijke. Eens mijn kritisch tegenwicht, nu een lachgrage consument die zijn geld eruit zit te halen. Waar is die vlijmscherpe toon van nog geen acht negen jaar geleden? De maatschappij op de snijtafel. Het publiek zat met de ruggen tegen de stoelleuning gedrukt. Dames namen verschoning mee om in de pauze dat ondergoed met die zeven kleuren erin te kunnen verwisselen. Dat waren tijden! Je werd gevreesd, gehaat, gekoesterd…

Hoe groter de gespeelde ergernis van de cabaretier is, hoe leuker de voorstelling wordt, maar hoe voelbaarder het besef bij het publiek dat hier de kern van de voorstelling wordt blootgelegd:

Dat geleun op het establishment, op handen gedragen door de nouveau riche. Volle zalen in België, eervolle invitaties uit Duitsland… Kotsmisselijk word ik van mezelf! Het grootste compliment dat ik tegenwoordig krijg: ‘Mijn moeder vindt u nu ook leuk!’ Alsof ik erop uit ben om tandeloze demente ouwe wijven te behagen die nog te ziek…

Die kern is: ‘Wanneer zal ik gelukkig zijn: als ik de essentie van het bestaan benadruk of als ik de essentie van het bestaan gebruik?’ Deze vraag stelt Freek de Jonge al direct aan het begin van De Bedevaart. Welke richting geef je aan je geest? Oftewel: wat doe je met het talent dat je gegeven is? En wat doet dat talent met jou? En ben je bereid je consequenties te trekken als je tot het inzicht komt niet de juiste keuzes gemaakt te hebben?

Ik zit maar te piekeren: hoe kan ik dat programma nog beter maken? Hoe kan ik het zo verwoorden en spelen dat het publiek maanden later zich de haren nog uit het hoofd rukt en denkt: wat was dit? Dat er speciale opvang noodzakelijk is, herscholing, deprogrammering… Dat het eindelijk eens in die zultige massa doordringt dat hier kunst gecreëerd wordt, dat hier het leven zelf om erkenning en waardering schreeuwt…

Het basisverhaal noemt hij Het Verhaal van de Eerste Eenwording. In letterlijke zin: de vader laat zich, ondanks het feit dat hij een gewaarschuwd mens is, verslinden door een leeuw. Geen ongeluk, maar een weloverwogen besluit. Hij kiest ervoor te berusten in zijn lot. De zoon besluit dompteur te worden en heeft veel succes met de act met zijn leeuw, met wie hij zich zelfs steeds meer één voelt. Tot hij, vanuit de frustratie over het succes van de leeuw en de status die het circuspubliek aan hun act geeft, overmoedig wordt. Het kost de leeuw zijn leven. Deze keer is de leeuw niet verantwoordelijk voor de dood van de dompteur, maar de dompteur voor het sterven van de leeuw. Pas dan realiseert hij zich dat hij zijn gaven heeft verkwanseld.

Hiermee duidt Freek de Jonge de kern van zijn oeuvre sinds De Komiek. Hij is de dompteur; de leeuw (in het echt het sterrenbeeld van Freek de Jonge!) is zijn talent. Het beest, die leeuw, dat talent – hij wil het ‘temmen’, maar komt tot het inzicht dat ‘het’ ontembaar is. Hij weet het slechts te dresseren.

De dompteur wordt met de dag depressiever. Elke keer als de leeuw buigt, buigt de dompteur tegen wil en dank mee. Hij weet niet wat hem droeviger stemt: jaloezie op het succes van de leeuw of medelijden met de koning der dieren, de ontembare die voor een beetje applaus door de knieën gaat. (…)
Avond aan avond in de piste krijgt hij een grotere hekel aan zijn publiek. Wat heeft het van hem gemaakt? Wat heeft het van de leeuw gemaakt?

In essentie is een leeuw een wild beest. Als je hem kunstjes laat doen, aanvaard je hem niet in zijn wezen en… gebruik je hem. Zo ook de cabaretier met zijn talent. Hij heeft zijn ontembare talent gedresseerd. Hij gebruikt het om er zijn trucjes mee te doen voor zijn publiek. Maar als het erom gaat de essentie van het bestaan niet te gebruiken, maar te benadrukken, zal hij andere keuzes moeten maken. Daartoe zal hij een Bedevaart maken…
Naast vijf episodes van De Komiek laat wat Grappen los en vijf episodes van Het verhaal van de Eerste Eenwording, is er dan ook het lied van De Pelgrim:

ik ben een pelgrim van het woord
die met hardnekkigheid van ketters
de leugens loochent en met letters
een weg uitstippelt en ontspoort

ik ben een pelgrim van de pen
ik tuchtig mij met leren riemen
kijk in de spiegel naar de striemen
en lees in spiegelschrift IK BEN…

Daarnaast zijn er drie andere Verhalen van Eenwording, steeds spelend in andere tijden (ook hier volgen we zijn eigen weg: van zelfverzekerde wereldverbeteraar tot vertwijfelde komediant) en op andere plaatsen: van de uitgestrekte jungle in Centraal Amerika via Lourdes tot in het kneuterige pretpark in Kaatsheuvel. Ook in letterlijke zin wordt er in deze voorstelling een bedevaart gemaakt.
Zoals de dompteur één wilde worden met de leeuw, zo probeert een geëngageerde, maar door zijn hoogmoed verblinde verslaggever in Nicaragua één te worden met een doofstomme revolutionair. Ook hier letterlijk:

Dan gaat je linkerhand zijn rechterhartkamer binnen, trekt de kransslagader open. Zijn bloed stroomt in jouw bloed. Je hebt één bloedsomloop. Je bent één!

Die eenwording komt in de voorstelling in vele gedaanten terug, ook met religieuzere betekenis, zoals in verhalen over een verlamde hardrockende motorrijder op bedevaart (!) naar Lourdes en, in de Efteling, over een weerloos kind. Wie bij machte is zich werkelijk in te leven in de ander – de strijder, de gehandicapte, de hongerlijder, het eenzame kind… – begrijpt meer van het leven en zal minder uit eigenbelang handelen. In het Lied van de Laatste Eenwording, waarmee zijn voorstelling eindigt, streeft de cabaretier ernaar zich te verenigen met zijn ouders.

dit is de wals
de wals van het als
als niet mijn vader
als niet mijn moeder
als niet mijn vader
met mijn moeder
dan was ik onherkenbaar geweest
dan was ik nu ontembaar geweest

In de inleiding op dat lied zoekt hij de eenwording met zijn publiek, ook hier zelfs weer letterlijk: ‘Als u dan nu allemaal in gedachten uw linkervoet op de rand van het toneel zou willen leggen, zal ik proberen met mijn rechtervoet naar vermogen tegendruk te geven. Wie weet zijn we dan nog voor de grote wereldbrand één.’ Hij begint die inleiding met de woorden:

Nu ik voor langere tijd van de podia verdwijn, zou ik u willen bekennen niet veel meer te hebben willen zijn dan een waakvlam die het eeuwige vuur in u wilde ontsteken als de finale daar was…

Terug naar het thema: als het erom gaat de essentie van het bestaan niet te gebruiken, maar te benadrukken, zal hij andere keuzes moeten maken. Zoals elke kunstenaar geen kunstjes moet doen, maar Kunst moet maken, zichzelf en daarmee het leven moet manifesteren. En nog breder gezien: het verhaal is natuurlijk ook een metafoor voor wat een mens niet alleen met zijn vak, maar met zijn hele volwassen leven doet of zou kunnen doen. Hoe dan ook: deze cabaretier maakt een keuze. Dat jaar neemt hij met De Finale, zijn oudejaarsconference, voor enige tijd afscheid van het theater.

COULISSEN

Met de ‘grote shows’ is inmiddels zowat alles wel gezegd en gedaan, vindt Freek de Jonge. Hij verlangt naar een andere vorm. Maar juist omdat De Bedevaart betekenis krijgt als afsluiting van een periode, wordt het een heel persoonlijk programma. De eigen positie stelt hij centraal; de verhouding tot het talent dat hij kreeg en hoe hij ermee is omgegaan.

Na De Bedevaart zal hij nog een oudejaarsprogramma maken, getiteld De Finale en gebaseerd op deze voorstelling. Daarna zal hij zeker twee jaar niet meer optreden, zo neemt hij zich voor. Het pakt overigens iets anders uit.

De voorstelling speelt in de piste van Theater Carré, waarvoor stoelen uit het midden zijn weggehaald. Het eigenlijke toneel is in gebruik als ‘extra decor’.
De voorstelling speelt twee lange series in Carré: van 11 april t/m 13 mei en van 22 november t/m 14 december.

De kostuums zijn opnieuw ontworpen en gemaakt door Hella de Jonge. ‘Voor De Bedevaart heb ik een broek gemaakt van een prachtige felgekleurde plissé. Het moest een fleurige en uitbundige broek worden en die stof leek mij daar zeer geschikt voor. Trek je die stof open dan zie je de witte banen eronder schitteren. Freek trekt die broek aan, doet zijn handen in zijn zakken en verzint dan iets met een harmonica. De uiteindelijke vorm is geworden dat als hij zijn handen in zijn zakken steekt er een harmonica gaat spelen. (…)
Als ik naga wat ik vijf jaar geleden maakte en wat ik nu maak, zit daar een ontwikkeling in, gelukkig wel ja. Bij De Komiek werkte ik bijvoorbeeld nog heel weinig met kleuren. In De Mythe was het allemaal geel en blauw. De Mars was overwegend wit en in Stroman en Trawanten was alles geruit.
De Bedevaart begint in grijs, zwart en wit, het is heel sec. Freek werkt dan heel duidelijk toe naar de tweede helft waarin hij aan alle kanten uitpakt, en voor mijn gevoel heb ik dat ook gedaan. De tweede helft is kleurig, circusachtig, bombastisch eigenlijk. Sommige mensen noemen dat barok en barok is nu een trend. Daar hou ik mij helemaal niet mee bezig, ik maak gewoon wat ik zelf mooi vind. Wij leven in de ideale omstandigheid dat Freek kan vertellen wat hij wil en dat ik kan maken wat ik wil.’ (de Volkskrant, 11 mei 1985)

Het is de bedoeling De Bedevaart niet alleen te registreren voor televisie en video, maar er ook een film van te maken. Daarvoor is onder meer een scène bedacht van een man in een rolstoel die zich met de voorstelling gaat bemoeien. Aanvankelijk is nog overwogen die ook elke avond in het theater te laten spelen, maar daar zag Freek de Jonge van af. Tijdens een verhitte discussie met de cabaretier op het podium zal deze gehandicapte – gespeeld door de Vlaamse acteur Hugo Van Den Berghe – opstaan uit zijn rolstoel en boos de zaal uit lopen, het publiek, niets vermoedend van de theatrale opzet, verbouwereerd achterlatend. Deze film – met die scène – verschijnt in 1986 als De Kkkomediant.

Op het moment dat de show begint te spelen wordt er privé, hoogst ongelukkig, beslag gelegd op zijn bezittingen. Het is de eerste avond dat De Bedevaart in Carré staat. In de Volkskrant noemt theaterrecensent Ruud Gortzak sommige grappen nogal flauw. Misschien die over de beslaglegging op zijn huis. Freek de Jonge: ‘Ik ben altijd al dol op pannenkoeken geweest.’
Het beslag op zijn bezittingen wordt gelegd door zijn voormalige manager Bart de Groot. ‘De curator in het faillissement van Big Boy Productions BV, de vroegere manager van Freek de Jonge, heeft donderdag volslagen onverwacht beslag gelegd op bezittingen van Freek de Jonge en de toekomstige opbrengsten uit diens theatervoorstellingen. “Er is kennelijk iemand op uit om mij kapot te maken”, zegt De Jonge enigszins laconiek. “En het komt slecht uit vanwege mijn première morgenavond.” Die première van zijn show De Bedevaart gaat gewoon door. (…)
Big Boy Productions BV in Bussum was sinds 1979 producer van Freek de Jonge. In mei vorig jaar verbrak De Jonge de banden. Dit gebeurde omdat De Groot, op een onduidelijke manier, drieënhalve ton aan theateropbrengsten, bestemd voor De Jonge, had zoekgemaakt. (…) Na die opzegging ging Big Boy Productions failliet. De Groot beweert in een civiele procedure bij de rechtbank in Amsterdam dat dit komt doordat zijn voornaamste cliënt is weggelopen. Hij eist dat hem acht ton wordt uitbetaald. (…)
Freek de Jonge noemt de beslaglegging een pure publiciteitsstunt. “We hebben geprobeerd de zaak uit de publiciteit te houden, vorig jaar. Daar word ik nu voor gestraft. Het komt slecht uit, vlak voor de première. Wat moet ik er verder aan doen? De rechtszaak is pas maandag. Je kunt kennelijk zo een deurwaarder op iemand afsturen als er schulden zijn. Nee hoor, de spullen zijn niet weggehaald; we zitten niet bij de pakken neer.”
Doorkruist dit zijn plan om het een jaar rustiger aan te doen? De Jonge: “Desnoods ga ik net als Jacques Brel naar de Stille Zuidzee om van een vreselijke ziekte te genezen. Nee, daar is meneer De Groot niet. Het heet niet voor niets Stille Zuidzee”.’
(de Volkskrant, 12 april 1985)

Op 15 april wordt Freek de Jonge in het gelijk gesteld. Dan oordeelt de Amsterdamse rechtbank in een kort geding dat hij heeft aangespannen dat er geen grond is voor beslaglegging op goederen en rekeningen. In zijn voorstelling verwijst Freek de Jonge er een aantal keren naar:
Ik ben bezig met de samenstelling van mijn nieuwe oudejaarsavondextravaganza! Aanvankelijk had ik geen plannen om er een traditie van te maken, maar financiële problemen in de privésfeer nopen mij enige artistieke concessies te doen.

In de laatste maanden van de tour refereert hij tussen neus en lippen door ook aan een ander avontuur:
Volle zalen in België
Eervolle invitaties uit Duitsland…
In het kader van de culturele manifestatie Ontmoetingen met Nederland heeft hij in oktober 1985, samen met onder anderen Adèle Bloemendaal, Ischa Meijer en Ramses Shaffy, opgetreden in Keulen. Zonder succes.

In een lezing voor Utrechtse filosofiestudenten, juni 1989 (afgedrukt in de bundel Losse Nummers), vertelt hij:

Ik zou eens in Duitsland voor de Rundfunk mijn kunsten vertonen in een zaaltje dat – met alles wat die Duitsers aan vindingrijkheid in zich bergen – ‘Die Pfeffermühle’ of ‘Das Senftöpfchen’ was genoemd en dat een rijke traditie herbergde aan streng cabaret waarbij het nationaal-socialisme zijn trekken thuiskreeg, met het bekende gevolg. Alle cabarettisten zijn vermoord. Voor nog zeker twintig andere collegae, van Adèle Bloemendaal tot Ramses Shaffy, had de West Deutscher Rundfunk Köln twee keer een uur uitgetrokken op een tijdstip dat hun luisterdichtheid die van onze Radio 5 benaderde.
Ik kwam ‘Das Mülchen’ binnen op een moment dat een mijner vakgenoten zijn beste Duitse beentje voorzette en het publiek braaf reageerde op zijn beschaafde Hoogduits. Aan het einde van die eerste opnameavond leek het mij aardig – ik hoefde pas de volgende dag iets te doen – alvast een gedeelte van mijn conference uit te proberen. Ik had zojuist de vertaling ervan toegestopt gekregen. Ik opende de envelop op een podiumpje zo klein dat mijn handen regelmatig in de coulissen verdwenen. Een act die mij in Nederland al een paar lachen zou hebben opgeleverd, maar hier in ‘Das Töpchen’ kwam geen reactie. Ik begon het een beetje benauwd te krijgen. Niet de beste reactie voor een humorist. Toen ik vervolgens in een naamval trapte en dus volkomen verstrikt raakte in hun taal die zich überhaupt zo goed commanderen laat, keek het publiek mij vertwijfeld aan. Ik keek terug. Dat moet je als komiek nooit doen!
Het misverstand was compleet toen ik meende te moeten opmerken dat de Duitse taal me ongeschikt leek om een oorlog mee te winnen. Een opmerking die het hier te lande nu eenmaal een stuk beter doet dan over de oostgrens. De stemming in ‘Dem Pfeffersenfchen’ zakte naar een dieptepunt en de eerste jassen werden aangetrokken. Ik meende – in weerwil van een oud advies van mijn vrouw – mijn act nog te redden door veel te lang door te gaan en riep tegen de bereidwillige Keulse cabaretliefhebbers: ‘Schiess mich nieder!’ Dit verzoek stond als vertaling van ‘Schiet mij neer’ op mijn tekstpapiertje. Dit had ‘Erschiesse mich’ moeten zijn, hoorde ik achteraf, maar mede omdat niemand der aanwezigen een vuurwapen op zak had, kwam er niets van.
Het feit dat ik van het podium af was gelopen veranderde niets aan de ontreddering in de rokerige ruimte. Het publiek bleef als aan het pluche geplakt zitten. Ramses Shaffy, die mij in de coulissen opving, brulde met zijn door de alcohol of de Bhagwan geïnspireerde enthousiasme: ‘Geweldig, terug, ze willen meer!’ En hup, op zijn advies blèrde ik nog een drietal malen: ‘Schiess mich nieder!’ En ging weer af. Maar Ramses kon er maar niet genoeg van krijgen en ik niet van hem en liet me nog eenmaal terugsturen.
De redactie van het radioprogramma besloot de volgende dag mijn bijdrage te schrappen en het publiek was ervan overtuigd dat de leiding de juiste beslissing had genomen. Ik trouwens ook, maar Ramses dacht er heel anders over. Zo werd mijn Duitse carrière in de kiem gesmoord.

In een interview zegt hij niet te kunnen improviseren in het Duits: ‘We zijn net in Canada geweest met De Kkkomediant. Ik denk dat ik daar wel aan de slag zou kunnen. Je brengt iets heel anders, duidelijk maatschappelijke satire, dingen die erg hard aankomen, maar wel geaccepteerd worden. Ik heb ook een paar verhalen verteld. Ging erg goed. In het Duits sla ik dicht, in het Engels kan ik improviseren, wel als toerist voorlopig, maar ik red me wel.’ (HP, 4 oktober 1986)

Het zakelijke conflict met Bart de Groot draagt ertoe bij dat Freek de Jonge eindelijk werk maakt van commerciële mogelijkheden, zoals het uitbrengen van zijn theatershows op beeld. Nagenoeg alle voorstellingen tot en met De Bedevaart verschijnen voorjaar 1986 op video. Systemen als VHS en Super-VHS zijn in volle ontwikkeling. De videoregistraties van zulke theatervoorstellingen kosten in die tijd nog honderd gulden per band! In 1992 verschijnt een genummerde serie met nagenoeg alle programma’s in twee cassettes van elk zeven videobanden. Ter gelegenheid van het uitkomen van de tweede cassette krijgt de videoregistratie van de voorstelling Het Damestasje het nummer ‘7/8’ mee. Dit als gesigneerde en gelimiteerde uitgave in 300 exemplaren. Deze videoband is alleen te koop bij intekening op de tweede box. Later verschijnt De Estafette (1992) nog als deel 15 in de serie.

Vanaf het najaar van 1985 tot de zomer van 1986 schrijft Freek de Jonge een wekelijkse sportcolumn voor NRC-Handelsblad. Een aantal daarvan is gebundeld in Freekick, een uitgave van Inter Footbal ter gelegenheid van de jaarwisseling 1986-1987.

Zondagavond 12 mei 1985 krijgen de Een Gebaar-avonden van 16 en 17 mei 1983 een vervolg met het Radio Freedom Festival. Ook dan is Carré het podium voor een theateravond voor het goede doel. De opbrengst gaat deze keer niet naar Amnesty International, maar is bestemd voor communicatieapparatuur voor de Zuid-Afrikaanse zender Radio Freedom.

Freek de Jonge: ‘Als je gelukkig wilt zijn, moet je je ego laten vallen. Ik zeg niet dat het lukt, maar ik weet dat ik zoek en het mijn taak is mijn zoeken vorm te geven. Ik probeer mensen te vertellen waarin ze falen. Dat doe ik met verhalen. In de loop der jaren heb ik veel verhalen aangereikt gekregen. Dat is wat Karel Appel bedoelde met: ik rotzooi maar wat aan. Dat is wat Toon (Hermans, red.) voortdurend zegt. Negentig procent komt tot je, de rest, daar moet je heel goed je verstand bij hebben.
(…)
Op zijn best is het als het en passant gebeurt. Maar het kan ook door concentratie. Ik ga zitten wachten, hier of in de auto. Je moet je leegmaken, dat kost inspanning. Het is mijn talent dat ik uit mijn onderbewuste kan oppikken waar mensen iets aan hebben. Vaak vertel ik onbegrijpelijke dingen, maar het publiek pikt daar uit op. ’t Wordt wel steeds moeilijker, de verwachtingen van het publiek zijn zo gigantisch geworden. En het willen luisteren is verlegd naar het willen kijken naar de buitenkant. Ik werk met woorden, bedwelmende woorden. ’t Is bijna een ritueel gebeuren. Ik sleep het publiek mee in een bepaalde sfeer. Waar het om gaat, is de roes. Ik heb het medium.’
(Interview met Bibeb in Vrij Nederland, 20 april 1985)

Freek de Jonge: ‘In 1979 ging ik het Denkbeeld-programma presenteren. Mensen vertelden daar over hun geloof in de astrologie enzovoort. Ik vond het te benijden naïevelingen, maar toen ontdekte ik dat die mensen interessant waren om naar te luisteren. En dat ze heel leuk en spiritueel waren, of ze nou volgelingen waren van Bhagwan, EO of de katholieke kerk. Ze deden me denken aan een preek die mijn vader vaak hield over Henoch die met God eindjes opliep totdat God zei: “Nou zou ik maar niet meer teruggaan. Ik zou maar met mij meegaan.” Volgens mijn vader stond het wandelen met God voor mediteren, dus steeds dichterbij het hogere komen, contact verliezen met het aardse, het materiële. Zijn eigen leven is ook een beetje zo verlopen. Ik besefte: de enige kans om te ontsnappen aan de werkelijkheid die in alle opzichten verschrikkelijk is, is contact zoeken met wat boven de werkelijkheid uitgaat. Voor mij was dat bevrijdend. De titel De Bedevaart is evenmin als de andere titels van mijn werk toevallig. (…) De Bedevaart gaat over de tocht die ik heel bewust in m’n eentje heb afgelegd. Het is de afronding in feite van een periode die als een huilbui heeft gewerkt. De Bedevaart is een voortzetting van De Mars en De Mars is voor een groot deel ontstaan uit het verhaal dat ik hield tijdens een opening van de tentoonstelling van Jopie Huisman. Ik vond zijn schilderijen altijd al buitengewoon prachtig. Toen ik in de buurt kwam waar hij woont, dacht ik: ik ga daar ’s kijken. Hij deed de deur open. Het was in 1980 en ik had meteen het gevoel dat ik hem kende. En tegelijkertijd dat hij de opengevallen vaderrol zou invullen. Dat ik met hem zou omgaan zoals ik met mijn vader had willen omgaan. Toen mijn vader stierf, was hij 53, ik was toen 23. We hadden veel gepraat, maar altijd over oppervlakkige dingen.
(…)
Als kind ging ik graag met hem mee naar de kerk, maar vooral omdat ik het leuk vond in de auto mee te rijden. We woonden in Workum, waar mijn vader zondagmorgens preekte en dezelfde preek hield hij ’s middags in het Heidenschap, de naam zegt het al. We werden met een grote auto afgehaald en achterin de kerk was er koffie en er stond een schaal met koekjes. Ik kreeg er twee en ook nog twee pepermuntjes. Als we ’s middags terugreden, werd de auto stilgezet in de berm en dan luisterde mijn vader naar de voetbaluitslagen. (…) Zoals ik vroeger met hem meereed, zo heb ik nu het gevoel dat hij met mij mee terugrijdt na een voorstelling. Ik ben dan vaak alleen, dat geeft me een fantastisch gevoel van geluk. Ik voel me nooit eenzaam. Ik ben met hem. Hij werd geobsedeerd door getallen, had een boekje waarin hij noteerde waar hij gepreekt had, hoeveel keer hij in bepaalde dorpen was geweest. Ik ben overal in het land opgetreden. Telkens bezield van een feestelijk gevoel. Ik wil van a tot z ervan genieten. Niks aan m’n kop hebben. Soms ben ik dat even vergeten, maar dan word ik me weer bewust hoe fantastisch het is dat ik daar in m’n eentje sta voor een zaal vol mensen. Als een zaal lacht, dat is zoiets geweldigs. Ik ben goed in grappen, maar het zijn niet de grappen alleen. De stemming loopt op, dan komt het moment dat ze willen lachen en dan lachen ze.’ (Interview met Bibeb in Vrij Nederland, 20 april 1985)

KRITIEKEN

‘Freek de Jonge heeft zich de laatste jaren in een aantal programma’s laten zien die de klasse van De Mars – tot dan zijn top – bevestigden en hij heeft zich thans gepresenteerd in een nieuw programma dat hij weer helemaal alleen draagt en dat bovendien een speelruimte vergt die zowel het toneel als de begane grond van de zaal van Carré in beslag neemt! Ook van Carré is dat een gedurfde opzet, waarmee het theater zich volkomen achter de ideeën van Freek opstelt. Het programma heet De Bedevaart, als een consequentie van de getuigende functie die Freek op zich heeft genomen en die hij ook dit keer (…) met een verbazingwekkende energie (…) voortsleept.
(…)
De Bedevaart is een formidabel programma met een fantastische krachtbron in het midden van de ruimte, die geheel beheerst wordt door één artiest voor een publiek dat een avond lang hoe langer hoe verwonderder wordt en aan het slot in menig opzicht dan ook verbijsterd zit te applaudisseren. Is dit alles theater of ook nog wat anders? Het is de binnenste binnenkant van het Nederlands als geheimtaal dat van het Nederlands publiek-in-zijn-geheel een incrowd maakt. Opvallend goed zijn de decors van Freek en diens vrouw Hella.’
(A. Koolhaas in Vrij Nederland, 20 april 1985)

‘Een bij vlagen briljant programma (…) dat barstensvol schitterende cynische – en enkele flauwe – grappen zit, maar ons vooral wijst op de situatie waarin De Jonge, en met hem veel meer leeftijdsgenoten, terecht is gekomen. (…) Ik vind het altijd opnieuw een ongemeen boeiend avontuur om De Jonge te volgen in zijn steeds nieuwe parabels over hetzelfde, omdat ze serieus en geestig tegelijkertijd zijn.’ (Ruud Gortzak in de Volkskrant, 15 april 1985)

SPEELDATA

11 april t/m 14 december 1985.

MUZIEK

Willem Breuker, Henny Vrienten (composities en arrangementen). Henny Vrienten schreef ook de muziek voor de liederen De pelgrim en De wals van het als.

AANKLEDING

Hella de Jonge, met medewerking van Madelon Bruna, Machteld Mulder en Ria Verstegen.

PUBLICATIES

Tekst

De Bedevaart (1986).

Pretparken (1988).
Eerste uitgave in de reeks Budgetpockets van Uitgeverij ­Budgetboeken. Bestaat uit zeven verhalen uit de programma’s De Tragiek, De Mars en De Bedevaart (Pretpark-2) en de boeken Het Damestasje en Zaansch Veem.

Een aantal (fragmenten van) conferences is opgenomen in de bloemlezingen De Rode Draad (1995) en De Toeschouwer (2006): Carré, Dood vogeltje, Exclusief voor onze bladen, Een leeuw of zijns gelijke, Moeder aan de lijn, Oprijlaan, Het schoolreisje en Talkshow in Toronto.

De liedteksten De Pelgrim en De wals van het als staan afgedrukt in de uitgaven met verzamelde liedjes: Iets rijmt op niets (1990 en 1996), Leven na de dood (2004) en Wees niet bang (2007).

Geluid

LP De Bedevaart – de muziek (1985).

LP met de muziek (van Breuker en Vrienten) losgemaakt van de voorstelling. Met als gezongen liederen dus, net als in de show, De wals van het als en De Pelgrim, beide op muziek van Henny Vrienten.

2LP De Bedevaart (1985).

CD Wat fijn om idioot te zijn (1986). Verzamel-cd met tien liedjes en conferences uit De Tragiek, De Mars, De Mythe, Stroman en Trawanten, Een Verademing en De Bedevaart (Hoe ik mijn verjaardag vierde en De wals van het als).

CD (sterk ingekorte registratie van de 2LP) (1992).

Beeld

VHS (1986).

VHS-heruitgave als deel 7 in videoserie in 16 delen (1992).

DVD (met De Pretentie uit 1988) als de derde van vijf 2dvd’s in cassette onder de titel De Komiek. De grote shows 1980-1995 (2004).

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

_______

De Bedevaart

Na De Bedevaart (1985) besluit Freek de Jonge voorlopig met theater te stoppen. Hij houdt op 31 december 1985 nog wel een oudejaarsconference, maar daarna zal hij tot december 1987 niet meer met een reguliere voorstelling in de theaters te zien zijn. Wie De Bedevaart gezien heeft, zal zich over deze beslissing niet verbaasd hebben. Meer dan eens is over deze voorstelling geschreven dat het om een artistieke zelfmoord zou gaan. De grappen die De Jonge maakt zijn hard en direct tegen het publiek, zijn materiaal en zichzelf gericht. De centrale vraag binnen de voorstelling luidt: Wat doet de mens met zijn talent en wat doet zijn talent met de mens?
Zoals van alle voorstellingen tot dan toe is ook van De Bedevaart de integrale tekst in boekvorm verschenen. Uit de inhoudsopgave valt op te maken hoe De Bedevaart is opgebouwd. De rode draad is ‘Het verhaal van de Eerste Eenwording’. Dit verhaal wordt onderbroken door de verhalen over de Tweede, Derde en Vierde Eenwording, die aan één stuk worden verteld. Tussen al die verhalen door zijn de passages geweven die ik hier onder de noemer ‘De Komiek laat wat Grappen los’ wil plaatsen. In deze passages zien we hoe De Jonge werkt aan de oudejaarsconference van dat jaar. Hij staat gebogen over een enorme spiegel, die zijn schrijftafel moet voorstellen:

Een éénrichtingsverkeersbrigadiertje
Een brigadiertje van de verkeerde kant
Een hapklaarovertje
Een klaarovernieuwtje
Nee, dat is te marginaal
Dat moet een dijenkletser worden
Dus dat wordt weer gewoon:
Pieter van Vollenhoven…

In deze passages zien we hoe De Jonge worstelt met zijn eigen leukheid. Zijn eigen grappen zitten hem in de weg. Zo stelt zijn rechterschoen een telefoon voor, waarbij je zelf ‘tring’ moet roepen als je gebeld wordt. Deze geïmproviseerde telefoon gaat vaak midden in een verhaal af, zodat De Jonge gedwongen wordt zijn verhaal te onderbreken en ‘tring’ te roepen.
Het is niet alleen zijn eigen leukheid waarmee De Jonge worstelt, ook het publiek, dat iedere pauze van zijn kant automatisch vult met een lach, zit hem dwars. Hij vindt zichzelf nogal ongevaarlijk geworden.

Nou ik wil mijzelf weer eens wat profileren
in progressieve zin
Dat geleun op het establishment
Op handen gedragen door de nouveau riche
Volle zalen in België
Eervolle invitaties uit Duitsland
Kotsmisselijk word ik van mezelf!
Het grootste kompliment dat ik tegenwoordig krijg
Mijn moeder vindt u nu ook leuk!
Alsof ik erop uit ben
om tandeloze demente ouwe wijven te behagen

Het fantastische van het geheel is dat hoe radelozer De Jonge wordt, hoe leuker de voorstelling. Er ontstaat een enorme spanning, die telkens door een lach wordt weggenomen, maar daarna opnieuw wordt teruggebracht, omdat de grap zelf weer onderwerp van een nieuwe tirade wordt, uiteraard uitmondend in alweer een nieuwe lach. Zo brengt De Jonge het publiek in een steeds hogere vorm van concentratie. Na afloop van de voorstelling heb je het idee de uren daarvoor in een soort roes te hebben verkeerd en je hebt de videoregistratie nodig om je datgene wat er die avond op je af is gekomen weer te kunnen herinneren.

Er waren drie gasten en een presentatrice
De eerste gast had iets te doen met Rodeo
Rodeo
Iemand die iets
voor niets doet
maar de p niet kan zeggen

Ja, ik maak ze vanavond allemaal hoor dames en heren
Vroeger had ik nog de artistieke pretentie
dat ik mijn grappen moest schiften
Maar mij is in de loop der jaren wel gebleken
dat de dingen waarvan ik denk
dat kan echt niet
die vindt u het leukste
En de dingen waarvan ik denk
dat is spits
die ontgaan u totaal
Dus wat zal ik langer uw avond bederven…?

Zoals geschreven vormt ‘Het verhaal van de Eerste Eenwording’ de rode draad van de voorstelling. Dit verhaal kan gezien worden als een antwoord op de vraag: Wat doet de mens met zijn talent en wat doet zijn talent met de mens? De conclusie is niet erg optimistisch. Het verhaal gaat over een dompteur die het lukt ‘één’ met de leeuw te worden. Deze act wordt een groot succes. De mensen hadden wel eens een laf dompteurtje zijn hoofd in de bek van een leeuw zien steken, maar een dompteur die geheel in de leeuw verdwijnt is nieuw. Het kleine circusje waar de dompteur werkt, wordt al snel een wereldattractie. De leeuw wordt razend populair, maar de dompteur wordt steeds depressiever, want iedere avond wanneer de leeuw voor het publiek buigt, buigt hij tegen wil en dank mee.</br></br>
Zo krijgt de dompteur een steeds grotere hekel aan het publiek. Hij vraagt zich af wat het publiek van hem en de leeuw heeft gemaakt. Op een avond, als hij weer één met de leeuw is, besluit hij te breken met het verwachtingspatroon. Hij gooit de tralies open en begeeft zich te midden van het publiek. Als hij op de tweede rij staat, klinkt er een schot en de leeuw valt dood neer. De dompteur komt vervolgens uit de leeuw tevoorschijn. Aanvankelijk wil hij ook neergeschoten worden, maar als hij ziet dat het publiek naar de directeur oprukt om hem te lynchen, beseft hij dat er maar één ding opzit: ‘doorspelen, anders gebeuren er nog vele grotere ongelukken.’
De dompteur gaat over op een clownsact. Avond aan avond maakt hij dezelfde grappen. Totdat op een avond zijn moeder de piste instapt en hem letterlijk de hand van zijn vader geeft. De dompteur beseft dat hij zijn talent heeft verloochend, zijn gaven heeft verkwanseld en besluit boete te gaan doen. Hij zal zijn verhaal vertellen aan iedereen die het maar wil horen. Aanvankelijk in grote zalen, dan in het b-circuit. Als het publiek ook daar is verzadigd, zal hij naar Duitsland trekken en als men hem zelfs daar niet meer wil horen, zal hij op zondagmorgen met een aktetas de deuren langsgaan. Dan zal zijn boetetocht overgaan in een bedevaart en zal hij de plek van de ontembare genaderd zijn: hij zal zijn een leeuw of zijns gelijke.</br>
Wanneer we bovenstaand verhaal willen betrekken op de centrale vraag binnen de voorstelling (wat doet de mens met zijn talent en wat doet zijn talent met de mens?), kunnen we in de dompteur Freek de Jonge zien en in de leeuw zijn talent. Dan wordt duidelijk dat De Jonge hier aangeeft dat zijn talent met hem op de loop is gegaan. Ongetwijfeld is dit voor het theatrale effect flink aangezet, maar zijn beslissing om na De Bedevaart te stoppen met theater is daar wel mee in overeenstemming, al zal hij later op deze beslissing terugkomen en weer het podium bestijgen. </br>
Helemaal tot slot zingt De Jonge ‘Het Lied van de Laatste Eenwording’ , ook wel bekend als ‘De wals van het als’. In het nawoord bij de bundel Iets rijmt op niets, waarin De Jonges liedteksten tot en met 1996 zijn verzameld, zal hij zeggen dat deze wals zijn lijflied is geworden.</br>

Dit is de wals
De wals van het als
Als niet mijn vader
Als niet mijn moeder
Als niet mijn vader
Met mijn moeder
Dan was ik onherkenbaar geweest
Dan was ik nu ontembaar geweest

(…)

Dan schuimde ik door straten
Onuitstaanbaar uitgelaten
Omringd door mooie wijven
De hele dag een stijve
Boord was niets voor mij
Ik zocht geen plaats in de rij
Een man een man
Een wals een wals
Zou ik geweest zijn als

Hier eindigt De Bedevaart, naar mijn idee de beste voorstelling die Freek de Jonge ooit heeft gemaakt. Niet iedereen zal het daarmee eens zijn en verstandige mensen zullen beweren dat je de voorstellingen van De Jonge niet met elkaar kunt vergelijken, omdat ze daarvoor te veel verschillen.
Blijft over dat De Bedevaart iedere keer weer opnieuw blijft boeien, door het spervuur van grappen en de reacties daarop, door de prachtige verhalen over de Eenwordingen, door dat zelfs bij het bekijken van de videoregistratie de spanning en de roes in de zaal nog te voelen zijn. De Bedevaart is 2½ uur theater waarin onmogelijk veel gebeurt.

[Tekst: Pascal Klaassen]