De komiek van nachtclub Titanic
In het vierde deel van zijn memoires neemt tachtiger Freek de Jonge de jaren 1969-1980 door: grote successen met Neerlands Hoop en groot persoonlijk verdriet gaan hand in hand. In een grandioze finale brengt hij alles samen, als in zijn beste theaterprogramma’s.
21 oktober 2026, door Arjan Peters HP/De Tijd
Als tiener stond Freek de Jonge (1944) voor de linnenkast van zijn ouders, zag daar het damesverband liggen, en vroeg zich hardop af waar hij het herenverband kon vinden. Om maar even aan te geven hoe weinig je in die dagen wist. Wisten wij veel, heet dan ook deel 4 van zijn memoires. Wat vrouwen wilden, dát vrouwen wilden, het werd niet door moeders aan zonen doorgegeven.
Tastenderwijs moest hij zijn weg vinden, toen hij in 1969 een relatie kreeg met Hella Asser, dochter van de beroemde tekstschrijver Eli Asser. Zij deed de Rietveld-academie en danste bij de Snip en Snap Revue die destijds mateloos populair was, vier decennia lang, en die nu hopeloos verouderd aan zou doen (twee als dames verklede mannen die oeverloze conversaties voerden).
Aan één ding houdt hij zich vast: zijn roeping. In eerdere delen van de memoires van cabaretier Freek de Jonge is die reeds gespecificeerd: in 1958 op een schoolavond merkte hij over komisch talent te beschikken, door de respons bij het publiek. Dát was waarmee hij zich kon onderscheiden. Dáár moest hij gebruik van zien te maken.
De kennismaking met muzikant en ex-volleyballer Bram Vermeulen, die in 1967 plaatsvond, leidde tot de oprichting van het enerverende en vernieuwende cabaretduo Neerlands Hoop in Bange Dagen, dat engagement en absurdisme paarde aan rock-’n-roll, een combinatie die hier te lande nog niet bestond. Denk voor cabaret in die dagen aan genoemde Snip en Snap of Toon Hermans; ander tempo, andere moraal, en serener dan het rauwe Neerlands Hoop-geluid, dat wilde afrekenen met het haardvuur-cabaret (op zijn Frans uitgesproken: cabarè) van de bravere vakgenoten.
In de jaren zeventig bloeit Neerlands Hoop volop, ze maken programma’s (Express, Interieur, Code), treden op bij het Boekenbal, proberen het in Engeland (geen succes), zorgen voor ophef met hun actie Bloed aan de paal om te voorkomen dat het Nederlands elftal naar het WK voetbal in Argentinië gaat (waar dictator Videla verantwoordelijk is voor de verdwijning van zogenaamde staatsvijanden) – en tevens om te voorkomen dat hij moet toezien hoe het Nederlands elftal in de finale weer het onderspit delft, net als in 1974, en nu nog onder de ogen van Videla ook. Ze krijgen aandacht maar de boycot gaat niet door, en Nederland gaat onderuit, maar de discussie (zowat bij elk WK en elke Olympische Spelen te herhalen) wordt gevoerd en dat het in de sport niet alleen om het spelletje gaat, dringt wel tot iedereen door.
Heel goed dat De Jonge het op zich heeft genomen om zijn eigen leven in gedeeltes opnieuw door te nemen, vanaf de verschijning van Kom verder! (2021), dat zelfs teruggaat tot 1900, omdat toen zijn Zeeuwsche grootvader eveneens op zijn veertiende een roeping kreeg, zij het in diens geval een klassiek-religieuze.
De oudere auteur die terugblikt, dat levert vaak een duidelijker beeld op dan de dagboekschrijver kan bieden, al is het maar omdat die midden in de gebeurtenissen zit en geen overzicht heeft. In zijn late jaren was Jan Cremer bezig met de sterke en onderschatte Odyssee-reeks (tussen 2016 en 2019 verschenen Fernweh, Sirenen, Canaille), en zijn dood heeft verhinderd dat hij die reeks kon voortzetten met het al aangekondigde Sauvage.
Kernmomenten terugroepen, wijzen op wat voorafging en erop volgde, de tijd schetsen en de moraliteit van toen met nu vergelijken: al behoort de autobiografie niet tot de betrouwbaarste bouwstenen van een biografie, het is een literair genre dat een zelfconfrontatie belooft die altijd veel onthult, ook als de auteur hier en daar een oogje toeknijpt of dat juist openspert om hem moverende redenen.
In het oorlogstrauma dat het echtpaar Asser levenslang in de greep houdt, en dat de omgang met hun eigen kinderen ernstig verstoort, laat De Jonge zien hoe lang de Tweede Wereldoorlog ook na 1945 voortduurde.
Heel mooi is de beschrijving van de wording van de conferences, die hij bij voorkeur al spelende laat ontstaan, maar waardoor hij kort voor het begin van een nieuwe tournee ook in de stress kan schieten:
“Ik zat in een kramp die per minuut verhevigde. Hier had ik al maanden tegenaan gehikt. Tussen de liedjes door had ik een stuk of vijf verhaaltjes nodig die moesten uitgroeien tot conferences. In Bange Dagen waren die à l’improviste ontstaan. Dankzij een fonografisch geheugen waarmee ik spontaan gemaakte grappen de dag erop moeiteloos kon op roepen groeide er na vijftig keer spelen een goedlopend verhaal, en daar was na zo’n tweehonderd keer spelen geen speld meer tussen te krijgen.
Tijdsbeeld, goede en flauwe grappen, engagement, verdriet en vreugde, uitmondend in de breuk met Bram Vermeulen.
“Het vooruitzicht om dat recept opnieuw te moeten beproeven had me bij vlagen in paniek gebracht. Wat te doen als het verhaal stokte? Hakkelen kon even leuk zijn, een stilte even spannend, uiteindelijk wilde de toeschouwer botweg lachen. Geen gelul. Er zat niets anders op dan gewoon beginnen. ‘God zegene de greep,’ zei mijn vader in zo’n geval.
“Om het allemaal ingewikkelder te maken had ik in allerlei interviews hoog van de toren geblazen waar een goede grap aan moest voldoen. Meer dan eens had ik het publiek beschimpt als het voor een simpele lach koos of mijn verhaal in een richting probeerde te duwen die mij te plat was. In de zuivere theorie achteraf was het veilig toeven, in de praktijk was elke lach in het begin mooi meegenomen.”
Indrukwekkend hoe hij de sfeer kan oproepen van de première van Express (1974) in theater Tuschinski: om half een ’s nachts opkomen, nadat James Bond was vertoond (Live and Let Die), achter het doek klaarstaan met de muzikanten, en dan hup het toneel op. In hetzelfde jaar overkwam Hella en Freek een groot drama, toen zoontje Jork, hun tweede kind, onverwacht stierf terwijl ze net op Texel waren gekomen om ongestoord vakantie te hebben. Vlak na die verschrikking moet hij weer het toneel op: “Tijdens de Express stond ik avond aan avond na de pauze met mijn broek op mijn enkels. Ik speelde een verlopen komiek in nachtclub Titanic.”
Als het echtpaar naar de ouders van Hella gaat om het droeve nieuws over te brengen, zijn die niet in staat te reageren. Even later gaat het doek op, en is hij de komiek in Titanic: “Ik tapte vergane moppen. ‘Ik ken een vrouw die haar benen genummerd heeft, dan kan ze ze beter uit elkaar houden.’ Vijftienhonderd toeschouwers kletsten zich op de dijen.”
Tijdsbeeld, goede en flauwe grappen, engagement, verdriet en vreugde, uitmondend in de breuk met Bram Vermeulen omdat de artiest en de muzikant, en ego’s en eega’s, elkaar in de weg zitten: “Jij en ik tegen de rest werd jij en ik tegen elkaar.”
Alles komt prachtig bijeen in een bruisende en melancholieke finale, een terugblik vanuit het hiernamaals, waarin De Jonge dezelfde magie weet te vangen als uit zijn beste theaterprogramma’s. Gaat dat zien.
Freek de Jonge
Wisten wij veel
Memoires deel IV – 1969-1980
Atlas Contact
€24,99