Grappen op het podium, in de sfeer van een kerkdienst. ‘Niets anders dan genade’
Cabaretier Freek de Jonge (82) gebruikt woorden als wapens, maar hij heeft ook ondervonden dat woorden machteloos zijn. ‘Je signaleert het ongemak in de samenleving, maar je maakt je er vanaf. Het is natuurlijk een enorm kluitje in het riet.’ Toch blijft hij optreden, hij kan niet anders.
Nederlands Dagblad 16 oktober 2026
André Zwartbol – interview
Dick Vos – foto
Een hand geven gaat niet. Het wordt een boks. Freek de Jonge zit tijdens het interview met een verband om zijn rechterhand. ‘Een triggervinger, dat is iets met een pees en een spier die in de knoop zitten’, legt hij uit. ‘Het signeren van mijn nieuwe boek zal waarschijnlijk met een stempel moeten.’
Hij is 82, maar zegt geen beperkingen te voelen op het podium nu hij bezig is met een serie voorstellingen over zijn biografie, waarvan deze week deel 4 uitkomt. ‘Mijn moeder is 97 geworden, haar zus 104 en een tante en een oom werden 100. We zijn een hardnekkige tak.’ Hij wil maar zeggen: dat er nog een deel 5 komt, over zijn leven tot 2030, moet haalbaar zijn. ‘De drijfveer achter het schrijven van mijn biografie is te laten zien dat wij, mijn vrouw Hella en ik, iets van ons leven gemaakt hebben, met veel ingewikkelde en moeilijke momenten. We hebben het leefbaar gemaakt.’
Leefbaar. Is dat wat het is?
‘Ja, je accepteert dat het leven niet één juichtoon is. Maar het is ook niet één donkere grot. Het is alles.’
De begrafenis van Jork
Wat er gebeurde tussen 1969 en 1980, waarover het vierde deel van De Jonges biografie gaat, illustreert dat. Het begint met zijn eerste ontmoeting met Hella Asser, de vrouw met wie hij in 1971 trouwde en nog steeds getrouwd is.
Maar het gaat ook over het overlijden van hun zoontje Jork, drie maanden na zijn geboorte. En over het stormachtige succes van het cabaretduo Neerlands Hoop in Bange Dagen, dat hij samen met Bram Vermeulen vormde, alsook het abrupte einde daarvan in 1979. De Jonge ging solo verder.
Het beschrijven van de begrafenis van Jork is een van de voorbeelden uit die ‘donkere grot’. Familie was er niet bij aanwezig. Wel twee mannen in werkkleding, zo schrijft De Jonge, die aan een touw het kistje lieten zakken en het touw daarna in een kruiwagen verderop leggen. Geen ritueel, veel zwijgen en iemand die zegt ‘lekker zeilweer’.
Wat wilt u met de beschrijving van de begrafenis van Jork vooral overbrengen?
‘Dat we in wezen niet weten hoe we met de dood moeten omgaan. Dat het een soort rationele onderneming wordt.’ Dat De Jonge een dag na de begrafenis alweer een optreden deed, ligt in het verlengde daarvan. ‘Ik was veel te veel bezig om mijn eigen ambities na te streven.’
In een ander boek, Door de knieën, zegt u over die periode: ‘Ik had mijn ziel aan de duivel verkocht voor een lach.’ zou u dat nog steeds zo zeggen?
‘Ik weet niet of de duivel in zijn geheel met mij aan de haal kan gaan. Het zijn wel momenten waarvan je met terugwerkende kracht kunt zeggen: had even wat kalmer aan gedaan. Vluchten in je werk, noemen de mensen dat dan. Ik miste natuurlijk iets, en dat heb ik mijn hele leven gemist. Een gemeenschap met vrienden had ik niet. Ik had het publiek, maar daar moest ik een bepaalde afstand van houden.’
Wat dreef u?
‘Als mensen zeggen: je bent verslaafd aan het applaus, zeg ik, nee, ik ben verslaafd aan de herbeleving van dat moment, toen ik 13 was.’
Dat moment als 13-jarige noemt hij vaak. Dat hij op een schoolavond in Koog aan de Zaan de zaal onbedaarlijk aan het lachen kreeg. ‘Het was een ervaring die mijn verstand te boven ging. Een roeping – een hallucinant verzoek van God zelf – zoals ook mijn grootvader die kreeg toen hij evangelist werd.’ Om de sfeer bij zijn optredens op het podium te beschrijven, verwijst De Jonge vaak en graag naar de eerbied van de kerkdienst en de rituele ontmoeting die daar plaatsvindt met ‘het Hogere’. ‘Van begin af aan heb ik begrepen dat die ervaring niets anders was dan genade. Ik bedoel, ik kan me daar niet op voorstaan. Het is mij toebedeeld. Ik kan alleen maar met de handen omhoog staan en mezelf gelukkig prijzen.’
Doet u dat nog steeds?
‘Zeker. En ik aanvaard ook de consequenties van het geschenk. Dat betekent discipline en toewijding. Ik denk dan meteen aan het bijbelverhaal van de talenten.Ja, een bijbelverhaal, dat is nu eenmaal het idioom waarmee ik ben grootgebracht.’
In het slothoofdstuk ‘Nahetnu’ fantaseert De Jonge over het hiernamaals. Hij ontmoet er een paar mensen, onder wie zijn moeder en Jork.
Hoe groot schat u de kans in dat die eeuwigheid echt bestaat?
‘Het heeft weinig zin daarover te speculeren. We kiezen woorden voor iets wat we niet kennen, wat we niet weten.’
Wat zou u tegen Jork willen zeggen?
‘Niet zoveel. Ik denk dat hij mij meer te vertellen heeft dan ik hem. Als je zo uit het leven wordt weggehaald, zo kort na je geboorte, dan heb je wel een paar vragen.’
Mijn talent was me heilig, mijn denken wilde ik zuiver houden en mijn handelen moest gedisciplineerd zijn
‘Kapstokgod’
Om woorden te geven aan wat gelovigen doen, gebruikt De Jonge het woord ‘kapstokgod’. In zijn ogen is God bedacht door mensen om hun besef van ‘het Hogere’ aan op te hangen. ‘Ik mis die kapstok.’
U eindigt uw boek met het woord vertrouwen. vertrouwen waarin?
‘Vertrouwen is de vraag beantwoorden: vind je datje er mag zijn? Dat heeft voor mij met vragen te maken als: doe ik mijn plicht? Ben ik oprecht? Probeer ik er het beste van te maken? Maar het is ook: vinden anderen dat ik er mag zijn?’
Wat geeft u vertrouwen?
‘Stilzwijgende acceptatie. Dat kan gestoeld zijn op een ervaring. Voor mij zit vertrouwen ook in het werk dat ik doe. Dat ik daar erkenning in vind.’
Nog steeds?
‘Ja, enorm!’
Anderen moeten u goed vinden?
‘Ik ben niet zo’n liefhebber van het begrip zelfvertrouwen. Er is altijd twijfel. Het is wachten op dat ene moment, het moment van de ervaring die ik ook op mijn dertiende had.’
Calvinistisch geweten
De Jonge beschrijft zich als ‘een man met een calvinistisch geweten’. ‘Mijn talent was me heilig, mijn denken wilde ik zuiver houden en mijn handelen moest gedisciplineerd zijn, gebaseerd op een diep besef van onvolmaaktheid.’
Nooit goed genoeg?
‘Het is knoeien wat we doen. Maar als je daar met een zekere humor naar kan kijken, dan komt het wel goed.’
Het hysterische lachen is ook wel een beetje voorbij. Mijn verhaal krijgt meer betekenis.
U schrijft over uw woorden als wapen, over ‘achteloze souplesse’ waarmee u een draai gaf aan de gang van zaken. Wat zijn die woorden dan allemaal waard geweest?
‘Het is natuurlijk ook een enorm kluitje in het riet. Je signaleert in je voorstellingen het ongemak over wat er in de samenleving gebeurt, maar je maakt je er vanaf. Ik heb de magie van woorden ervaren, maar ook de volstrekte machteloosheid, hulpeloosheid. Een woord kan volkomen leeg zijn. Ik heb dat vele malen ervaren en ook gewoon gebruikt.’
De voorstellingen van nu zijn anders, denkt hij. ‘Dat hysterische lachen is ook wel een beetje voorbij. Mijn verhaal krijgt meer betekenis. Ik ben veel meer bezig met wat ik nu echt wil beweren.’
En dat is?
Onder andere de tragedie van de gedachte “God is dood”. We zijn als samenleving op zoek naar normen en waarden en die willen we ergens aan vasthaken. Maar dat lukt niet meer. De kapstok is weg. Een groot deel van de mensen moet het nu zonder het besef van een God doen.’
Dat kun je opvatten als een pleidooi om weer terug naar God te gaan.
‘Je kunt niet terug, dat is het treurige. Als je twijfel gaat zaaien over het bestaan van God, dan is het over. Anders gezegd: God is waarheid, God is dood en dus is de waarheid dood.’
Toch blijft volgens hem ‘het Hogere’ onontkoombaar, als iets wat mensen zoeken. ‘Alleen zullen we daarbij de connectie met God steeds minder maken.’
Wat gaat u in uw voorstelling zeggen dat de mensen moeten doen?
‘Ga door met leven. Dat is het enige wat we kunnen. Knok om er een zinvol bestaan van te maken.’
Sterk verbonden met vader
De tragedie waarin we volgens De Jonge zijn beland, is het gevolg van ‘ons niet te stuiten verlangen naar feestvieren’. Hij voelt zich in die analyse sterk verbonden met zijn vader die dominee was. ‘Met zijn zorgen over ontkerkelijking en de daarmee samenhangende verloedering(…) en het loslaten van de moraal. De ironie zou vergaan.’
Raakt u de ironie al kwijt?
‘Onze relativering en ons vermogen om lachend weg te kijken? Nee. dat zal altijd blijven. Ik ben geen monnik. Ik blijf nog een beetje meeprofiteren van de lol te midden van de ellende.’
U zegt het lachend. Wilt u het niet anders?
‘Ja, natuurlijk zou ik het anders willen, maar om nu in het klooster te gaan zitten, daarmee doe ik mijn vrouw ook geen plezier.’